De lachende duivel

Annales. Histoires, Sciences Sociales. 52e Année, nr.3 Mai-Juin 1997. Verschijnt tweemaandelijks. Losse nummers FF 98,-, jaarabonnement buiten Frankrijk FF 580,-. Inl. tel. 00-33-2-54.50.46.12. Ter inzage bij vrijwel alle universiteitsbibliotheken.

MET DE STICHTING van het tijdschrift Annales d'Histoire Économique et Sociale, door de historici Marc Bloch en Lucien Fèbvre, werd in 1929 een belangrijke stap gezet in de groei van het historisch besef.

Annales werd het vlaggeschip van de 'mentaliteitsgeschiedenis': niet langer het romantische 'invoelen' van grote figuren, maar structurele analyse van voorheen verwaarloosde bronnen voor kennis van het 'gewone leven'. Onderzoek richtte zich niet op 'gebeurtenissen' maar op de outillage mental (het 'mentale gereedschap') van een tijdvak. Vrijwel alle internationale bekende Franse historici komen uit de Annales-school: Braudel, Furet, Le Roy Ladurie, Duby, Le Goff.

Annales is al twee keer van ondertitel veranderd. Tijdens de internationale zegetocht na de Tweede Wereldoorlog heette het Annales: Économies, Sociétés,Civilisations - een titel als een beginselprogramma. Het nogal saaie Annales.

Histoire, Sciences Sociales, dat in 1994 werd ingevoerd, is daarentegen typerend voor de bescheiden rol die het blad na het hoogtepunt van zijn invloed in de jaren zeventig is gaan innemen.

In meest recente nummer van het nog altijd eerbiedwaardige tijdschrift neemt een dossier over lachen de centrale plaats in - een ideaal onderwerp voor mentaliteitsgeschiedenis. Want de lach is een belangrijk symptoom voor een hele manier van denken en voelen. Verschil in 'gevoel voor humor' kan gemakkelijk tot grote conflicten leiden. Een gezamenlijke lach (vaak het uit-lachen van een buitenstaander) is daarentegen een belangrijk sociaal bindmiddel.

In zijn inleiding tot het dossier schrijft mediëvist Jacques Le Goff dan ook dat de lach een 'embleem' is van een cultuur. 'Lachen' behoort tot de onderzoeksobjecten waarin 'de knopen van een poging tot een alomvattende verklaring van een historisch geheel samenkomen'. De oude tegenstelling tussen 'de middeleeuwen die huilen' en de 'renaissance die lacht' wijst Le Goff natuurlijk van de hand. In de middeleeuwen werd juist een belangrijke strijd gevoerd tussen de lach en de 'anti-lach'. De meeste middeleeuwse theologen vonden de lach een teken van lichamelijke lichtzinnigheid, want nergens staat geschreven dat Jezus ooit lachte. Alleen innerlijke blijheid (om God) werd als een deugd beschouwd. Toch stond bijvoorbeeld de Engelse vorst Hendrik II (1133-1189) bekend als rex facetus, de grappenmakende koning. En Franciscus van Assisi (1181/2-1226) was de eerste lachende heilige. Naast de verwerping van de 'slechte lach' was er vaak wel een of andere vorm van 'goede lach' toelaatbaar.

De erudiete en enthousiaste inleiding is geschreven in de onnavolgbare hyperbole stijl van Le Goff, die in de studie van de lach zelfs een mogelijkheid ziet om de crisis in de sociale wetenschappen op te lossen. Na zoveel poeha vallen de twee artikelen die volgen onvermijdelijk tegen, des te meer omdat ze toch meer over de officiële theorieën over de lach gaan dan over de onderliggende mentaliteit. Ook is er weinig duidelijkheid over de verschillen tussen de termen lachen, uitlachen, vrolijkheid, humor of spot. In feite is het bijna klassieke kerk- en literatuur-geschiedenis, zonder veel gebruik van antropologie of sociologie.

Maar de onderwerpen zijn verrassend. Het eerste stuk, Quand le malin fait de l'esprit (als de duivel grappig wil zijn) van L. Moulinier (Université de Poitiers), handelt over twee curieuze voorvallen in twaalfde-eeuwse heiligenlevens van Bernardus van Clairvaux (1090-1153) en Hildegard van Bingen (1098-1179). Van beiden wordt beschreven hoe ze belachelijk worden gemaakt door een boze geest tijdens een duiveluitdrijving. Hildegard wordt uitgescholden voor 'klein oud wijfie' (Vetula) en haar naam wordt verdraaid tot 'Scrumpilgardis', zoiets als 'Rimpel-garde'. Ook Bernardus wordt tijdens een duiveluitdrijving bespot als 'mijn beste ouwe vent' en 'Bernardulus': 'Bernardje'. Deze duiveluitdrijving door de abt ging gepaard met harde klappen tegen de bezetene, een zeldzaam geval van gewelddadig excorsisme volgens Moulinier.

De asceet Bernard was een streng tegenstander van het lachen, al schreef de abt er zelf niet ongeestig over. Zo typeerde Bernard ooit een lachende monnik als een opgepompte urineblaas waaruit de lucht met stoten door een klein gaatje kon ontsnappen. Hildegard was iets minder moralistisch. Zij geloofde dat de lach voortkwam uit een verstoord evenwicht tussen de lichaamssappen en te genezen was door een mengsel van nootmuskaat, suiker en koude wijn.

Het tweede 'lachstuk', Les Éclats du rire. Le régiment de la calotte, ou les stratégies aristocratiques de la gaieté franise (1702-1752), is een prachtige beschrijving door A. de Baecque (Université de Saint-Quentin-en-Yvelines) van een Frans adelsgenootschap uit de achttiende eeuw dat zich tot taak had gesteld de 'verfijnde lach' te stimuleren. De Baecque zet uiteen hoe dit curieuze genootschap van hoge militairen en Parijse komedieschrijvers voortkwam uit de wens van de oude adel de nieuwkomers aan het hof manieren te leren door ze te bespotten. De belangrijkste literaire vorm was een gedrukte brief op rijm die zogenaamd voorgelezen was aan het slachtoffer en een ruime verspreiding kende. De leden zagen zich als hoeders van de adellijke bel esprit en zuiver taalgebruik: humor als wapen in een sociale en politieke strijd.

Het genootschap viel uiteen nadat een vooraanstaand lid van het regiment in 1749 niet-adelijke maîtresse van de Franse koning, Madame de Pompadour, op de korrel had genomen. Het vers viel volkomen verkeerd bij Lodewijk XIV:

(...) Une petite bourgeoise

Élevée à grivoise

Mesurant tout à sa toise

Fait de la cour un taudis (...)

(Vertaling: ... Een klein burgeresje, onbetaamlijk opgevoed, meet alles met haar eigen maat, en maakt van 't hof een zwijnenstal ...)