De discussie over abortus is nooit ten einde; Een zaak van leven, nog meer leven - en dood

Tot dertien weken is het 'niet meer dan een blaasje', zeggen de medici.Maar geef datzelfde blaasje de emotionele lading van 'beginnend leven' en een foetus ziet er ineens heel anders uit. De Kamer bespreekt binnenkort de abortuspraktijk in Nederland. Over artsen en hun ambivalentie.

Het is in oktober dertig jaar geleden dat de wetgever in Groot-Brittannië vrouwen bevrijdde van de praktijk van zeepsop, breinaalden en moedwillig van de trap vallen. Het was een revolutie: een zwangere vrouw, die haar zwangerschap niet wenste, kon voortaan tot op tweederde van haar draagtijd terecht bij de National Health Service, waar ze van de vrucht werd 'afgeholpen'.

Het is niet vaak dat de Britten geassocieerd kunnen worden met sociale vooruitstrevendheid, maar met hun abortuswet liepen ze ver voor op andere Europese landen. Die voorlijkheid was vooral te danken aan één man: David Steel, de latere leider van de Liberalen. The Sunday Telegraph ging (inmiddels) Lord Steel dezer dagen nog eens opzoeken: had hij geen spijt van het feit dat sinds 1967 in Groot-Brittannië 4,5 miljoen foetussen zijn geaborteerd? Knaagde het nooit aan hem dat dagelijks 470 zwangerschappen worden beëindigd en dat dat cijfer maar niet omlaag gaat, betere voorlichting en anticonceptiemiddelen ten spijt?

Steel reageerde op die vragen met de irritatie van iemand die vindt dat “we die discussie nu wel hebben gehad”. Geen van de voorstanders van abortus-vrijwel-op-verzoek wil opnieuw de kwestie zien opgerakeld, waarin al die andere mogelijke vragen diep liggen verscholen. Zoals: wanneer krijgt een foetus een eigen identiteit? Wie beslist over het lot van de foetus? Alleen de vrouw? Of heeft de man ook inspraak? En, volgend op recent onderzoek: als de foetus eerder pijn voelt dan tot nu toe werd aangenomen, moeten de verworvenheden van de abortuswet dan worden herzien?

Het is niet gemakkelijk om die vragen te stellen zonder meteen in de hoek te worden gezet. Steel wuift ze weg als grotendeels 'propaganda' uit de hoek van de Pro-Lifebeweging. Onuitgesproken toevoeging: “En we weten allemaal wat dat voor mensen zijn” - de rooms-katholieke kerk en de Conservatieven. En toch dringen de vragen zich op. Temeer nu die eerste vorm van beginnend leven, die bij abortus - grof gezegd - als afval de vuilnisbak ingaat, elders in de diepvries wordt gecultiveerd of in de broedstoof gekoesterd als hoop op nieuw leven. Dankzij nieuwe techniek is het al bijna “ons kindje” voor al diegenen die vroeger geen kans op kinderen zouden hebben gehad, omdat hun biologische vereisten tekortschieten. Overbodige vrucht of beginnend leven?

In Nederland herinnert de huisarts-seksuoloog Willem Boissevain zich nog heel goed hoe hij aan het eind van de jaren zestig wel meewerkte aan het ontwikkelen van Rutgershuizen, maar hoe hij aanvankelijk zelf tegen abortus was.

“Die werd bij de Rutgershuizen om te beginnen ook buiten de deur gehouden. De pil, daarvoor stonden de mensen in rijen op de stoep. Maar ongewenste zwangerschap, daar waren we niet voor en die deden we ook niet. Tot de vroege zwangerschapstesten beschikbaar kwamen. We begonnen, de NVSH voorop, mensen naar Engeland te verwijzen. Maar dat was voor de happy few, want niet iedereen had drieduizend gulden klaar liggen. Uiteindelijk hebben ook de Rutgershuizen besloten om ongewenste zwangerschappen ten minste tot het spreekuur toe te laten. Voor hulp, niet voor abortus. Ik zelf wist nog steeds: abortus, dat doe ik niet. Maar door de contacten met de vrouwen om wie het ging, is mijn standpunt veranderd. Zozeer zelfs, dat als ik in contact kwam met een geval waarvan ik dacht: hier slaap ik niet van, dat ik dan - onder alle voorzorgen van geheimhouding - die abortus uitvoerde. Stiekem. Aan de omslag in Nederland van 'nee, tenzij' naar 'ja, tenzij' heb ik meegewerkt. Weiger ik nu iemand ooit een abortus? Nee. Niemand laat een abortus voor zijn lol doen.”

Voortplantingsmarkt

De Tweede Kamer zal zich binnenkort buigen over een rapport dat de inspectie voor de volksgezondheid heeft geschreven over de abortuspraktijk in Nederland.

Aanleiding vormde de suggestie van een aantal artsen dat de praktijk was verwaterd. Dat de beslissing over te gaan tot een ingreep tegenwoordig op wel heel losse gronden wordt genomen. De inspectie heeft daar echter geen aanwijzingen voor gevonden.

In Nederland is het aantal abortussen ongeveer het laagste ter wereld en verreweg de meeste abortussen worden vroeg (in de eerste drie maanden van zwangerschap) gedaan. Goede voorlichting en ruime toegankelijkheid van anticonceptiemiddelen worden genoemd als de oorzaken daarvan. De wereldwijd opererende International Planned Parenthood Federation, in Londen(IPPF), prijst Nederland als een voorbeeld voor bijvoorbeeld Groot-Brittannië, waar door gebrekkige voorlichting het aantal zwangerschappen bij teenagers het hoogste is van West-Europa. En toch: zet in Nederland tien vrouwen van vijftig jaar bij elkaar en één van hen heeft een abortus ondergaan.

De arts Willem Beekhuizen staat aan het hoofd van een particuliere kliniek in Leiden, Stichting Medisch Centrum voor Geboorteregeling waar de consument op de voortplantingsmarkt aan twee kanten wordt bediend. Wie niet zwanger wil zijn, maar het toch is, kan hier worden geholpen. Wie - homo of hetero - hunkert naar een kind, maar het spontaan niet voor elkaar krijgt, kan hier terecht voor bevruchting met behulp van de nieuwste technische kunstgrepen.

Willem Beekhuizen kiest bewust voor de twee kanten van de schaal. Plat gezegd: embryo's maken en embryo's wegmaken. Net als eerder de veel oudere Willem Boissevain over zijn gecombineerde bezigheden als huisarts én abortusarts opmerkte: “Juist omdat ik vóór en niet tégen kinderen ben, wil ik ook de vreugde van een zwangerschap meemaken, de blijdschap om een gewenst kind. Ik was hier een van de laatste huisartsen die zelf bevallingen bleef doen. Als je jezelf reduceert tot baarmoederkrabber, dan werkt dat vergrovend. Dan breng je jezelf terug tot het niveau van een technicus, van iemand die niet zorgvuldig met leven omgaat.”

Beekhuizen lijkt in de verste verte niet op de medische specialist uit een gerenommeerd privé-ziekenhuis in Londen, die vorig jaar openlijk pochte over hoe hij de foetus in vergevordere zwangerschappen (tot 24 weken) “limb from limb” uit elkaar trok - “weliswaar geen prettig werkje, maar na een paar uur ben ik dat al vergeten”. De Nederlander wijst op een knobbeltje aan de binnenkant van een vinger en bekent: “Dat heb ik van de abortustang. Zoveel heb ik er in mijn leven gedaan.”

We praten over de foetus: bij vijftig procent van de abortussen in Nederland “niet meer dan een blaasje” dat met een vacuüm-apparaat wordt weggezogen.

Arts en consument mogen dan zeggen dat dit “stukje menselijk weefsel” eigenlijk net zo goed het product van een zware menstruatie had kunnen zijn.

Maar geef datzelfde blaasje de emotionele lading van “beginnend leven” en het ziet er opeens heel anders uit. Toen vorig jaar in Groot-Brittannië 3.000 embryo's (niet meer dan een bevruchte eicel op een glaasje) moesten worden vernietigd, omdat hun wettelijke bewaartijd (vijf jaar) was verstreken en de eigenaren ervan niet meer konden worden opgespoord, werden de desbetreffende klinieken overstroomd met verzoeken van kinderlozen die zo'n embryo wilden 'adopteren'. Kinderloze vrouwen huilden en de hoofden van de desbetreffende laboratoria erkenden dat het 'vernietigen' van de embryo's (in feite het ontdooien) de laboranten niet in de koude kleren zou gaan zitten. Sommige ouderparen konden nog net vóór de vervaldatum worden opgespoord om te worden herenigd met - meestal - het bijproduct van een vruchtbaarheidsbehandeling, waaraan ze de herinnering allang kwijt waren.

Bij een abortus vanaf dertien weken is de benaming 'blaasje' niet meer van toepassing. Er is een mensje in wording te zien, zo'n tien centimeter groot.

Nu zijn ingewikkelder en specialistischer technieken nodig om dit 'menselijk weefsel' te verwijderen. Sommige artsen weigeren die ingreep te doen: óf omdat ze de technische vaardigheden niet hebben, óf omdat ze het afbreken van verder gevorderde zwangerschappen emotioneel moeilijk vinden. Dr. Willem Boissevain in het Mildredhuis in Velp gaat tot zeventien weken, “maar je kunt niet zeggen dat het je niets doet”.

De abortusarts Florian Willems in Amsterdam spreekt van “een proces waarin je leert bepalen waar je eigen grens ligt”. “Ja, in die drie à vier procent van de gevallen waarin het om een vergevorderde zwangerschap gaat, gebruik ik wel zeer destructieve instrumenten. Maar moet je kotsend weglopen als je een been amputeert? Ik begrijp dat vrouwen zo denken, maar ik als arts doe dat niet. Er is een principiële beslissing over de grens van levensvatbaarheid - 23 à 24 weken - en verder moet de vrouw het beslissen.”

Willem Beekhuizen begrijpt dat de tweeslachtigheid ten aanzien van beginnend leven steekt. Hij zegt dat abortusartsen ook wel is verweten dat ze te weinig de biologische kant van hun activiteiten onderstrepen. “Maar moet je dan een begrafenisondernemer verwijten dat hij niet over wormen praat? Of over de crematie-oven?”

Beekhuizen schetst, op verzoek, wat er gebeurt met het product van abortus.

Het is een vraag die veel vrouwen, die een abortus ondergaan, hem ook geregeld stellen.

“Vroeger werden de resten vermalen en dan gingen ze zo het riool in. Dat klinkt gruwelijk, maar we praten hier over materiaal dat niet veel verschilt van wat een vrouw bij menstruatie produceert. Toen dat niet meer mocht, ging het product in speciale containers. Maar toen bleek bij ons dat het personeel daar moeite mee had: die containers, die zomaar oneerbiedig op de gang stonden.En dat is precies waar het hier om gaat: de symbolische waarde van zo'n beginnend leven. Wij zijn dus nu heel goed geworden in het herstel van rituelen. Als het moet, kunnen we iets wat als foetus herkenbaar is, als een puzzel in elkaar leggen en er zelfs een foto van maken. Een vrouw houdt empathie met zo'n vrucht. Als dit haar helpt er afscheid van te nemen, dan hebben wij haar op weg gebracht en dan kan het rouwproces tenminste beginnen.”

Rupert Wolder, de coördinator voor Europa van de IPPF voelt zich bijna aangevallen als hem de hypothese wordt voorgehouden dat een ál te klakkeloze praktijk van kinderen wegmaken en maken, mogelijk tot morele gemakzucht heeft geleid. Toch lijkt het voor de buitenstaander soms alsof in een liberaal klimaat als dat in Nederland, elke praktijk - van euthanasie tot herhaalde abortus - het stempel 'moet kunnen' krijgt opgedrukt. Dat uit zich al in het taalgebruik: wie een kind wil, “neemt” er een. Wie het niet wil laat het “wegmaken”.

Anders dan in Nederland wordt zeker in de Britse pers regelmatig twijfel uitgesproken over het gemak waarmee nieuwe ontwikkelingen op het gebied van conceptie en anticonceptie worden ingevoerd, als ging het bij de kinderwens om de aanschaf van al dan niet een pond suiker. De lijst van omstreden incidenten,opgeklopt door de pers, is dan ook lang: Mandy Allwood die van haar huisarts vruchtbaarheidsverhogende middelen kreeg, zwanger raakte van een onmogelijk te voldragen achtling en zich voor tonnen verkocht aan de schandaalpers - die haar als een baksteen liet vallen na de voorspelde miskraam van alle acht. Dat de vader van de acht tegelijkertijd zijn relatie met een ander, die ook twee kinderen van hem had, doorzette, plus het feit dat Allwood een kind uit een vorige relatie terzijde schoof in haar nieuw verworven glamour, maakte hun zaak er niet beter op.

In Nederland ontstond net als in Engeland oproer over het fenomeen van selectieve abortus. In Nederland wilde een islamitische moeder geen meisje, omdat haar culturele achterland meer waarde hecht aan jongens. In Londen pochte dezelfde abortusarts, die zo luchtig met de zaag omging, dat hij één van een gezonde tweeling had geaborteerd, omdat de financieel welgestelde moeder haar gezin met één kind wel voltooid achtte. En er was de tactloze aankondiging van de Mary-Stopesklinieken, dat nu ook in Groot-Brittannië centra geopend zouden worden, “waar de vrouw zich in het lunchuur kan laten aborteren”. Die aankondiging ging zelfs de Labour-staatssecretaris van Gezondheidszorg, Tessa Jowell, te ver. Zij noemde de aankondiging “het trivialiseren van abortus én van de gevoelens van vrouwen”.

Dan waren er de voorbeelden van homofiele vrienden, die een deal deden met een lesbisch paar, teneinde hun verlangen naar het hebben van een eigen kind te realiseren. En er waren de lesbische paren, die zichzelf injecteerden met in een jampot vergaard sperma van een donor die ze niet wilden noemen en ook nooit meer wilden zien. Naast gymslip-mothers - zwangere meisjes vanaf twaalf jaar, met in één geval een 'vader' van elf jaar - heeft Engeland nu dus ook jam jar-babies.

En ten slotte, en van weer een andere orde, was er de Brits-Nederlandse affaire van het beklagenswaardige echtpaar Clemens en Sonja Peeters, die na eindeloze mislukte pogingen tot conceptie 12.000 pond betaalden aan een draagmoeder in Engeland, die eerst dreigde met abortus en uiteindelijk besloot het kind - wetstechnisch van haar, genetisch van haar en Peeters - zelf te houden.

“Waar ik zo woedend om word”, zegt Rupert Wolder, “is dat er in dit land alleen gedebatteerd lijkt te worden over onderwerpen die met seks en voorplanting te maken hebben, wanneer de sensatiepers weer een zogenaamd 'schandaal' aan de kaak stelt.” Mandy Allwood had het medisch advies gekregen om ten minste vijf van de acht foetussen te laten aborteren, maar negeerde dat omdat haar verhaal dan niets meer waard was - Wolder zucht: “Dat was koren op de molen van Pro Life. Er is hier in Europa, net als in Amerika, een krachtige Pro-Lifebeweging, die we sterk zien toenemen bovendien. Waar de bevolking in aantal afneemt, gaat dat vaak gepaard met opkomend nationalisme, kijk naar Frankrijk. Op die gevoelens speelt Pro Life in, of het nu gaat om de afkeer van gemengde huwelijken of om gezinsplanning.

“Zo'n kwestie als van die specialist met zijn selectieve abortus, geeft hun natuurlijk het excuus om alle oude vragen opnieuw te stellen. En de moraalridders kunnen naar aanleiding van de tiener-moeders en -vaders weer hun betoog afsteken dat promiscuïteit hand over hand toeneemt.” Wolder wil eigenlijk niet ingaan op de vraag of de afspraak “de beslissing over abortus ligt bij de vrouw” in het licht van nieuwe ontwikkelingen periodiek ter discussie zou moeten worden gesteld. Zijn standpunt is dat hij werkt voor een wereldwijde organisatie, die in zijn “handvest voor seksuele en reproductieve rechten” het recht “of en wanneer kinderen te hebben” net zo verankert als het recht op informatie, toegang en keuze waar het de individuele gezondheid betreft.

“Mijn standpunt is: we hebben na debat een consensus bereikt. Vrouwen hebben het recht om te kiezen. Natuurlijk, een debat over de ethiek van nieuwe mogelijkheden moet je niet uit de weg gaan. Maar die verworvenheid van “het recht op keuze ligt bij de vrouw” moet je daarbij - vergeef me de beeldspraak - niet als kind met het badwater weggooien.”Wolder zegt dat de rillingen hem over de rug lopen als een Amerikaanse Pro-Life-organisatie als Human Life International propageert dat er in het heringedeelde Oost-Europa “a rich breeding ground” ligt voor haar doelstellingen. “In een nieuw-opgezet land, met een sterk nationaal bewustzijn en dus een tendens om tégen abortus te zijn, omdat dat 'de Russische manier' was, doen de Pro-Life-organisaties hun voordeel. Wij hebben in een van de voormalige satellietstaten vier gezinsplanningklinieken, in elk waarvan honderd cliënten per dag komen, die nergens anders naartoe kunnen. De armen dus, want rijke vrouwen weten altijd en in alle omstandigheden een manier om zich verantwoord te laten aborteren.

Het zijn de armen die je terugdrijft naar de breinaald en het afwasmiddel.''

Navelstreng

De Amsterdamse abortusarts Florian Willems liet zich, na zijn huisartsenopleiding bijna 20 jaar geleden, verleiden door een advertentie voor het soort baan dat hem ideaal leek. “Part time, zonder zware diensten en met de mogelijkheid in korte tijd een relatie met de patiënt te leggen. Met het onderwerp zelf, abortus, had ik niets. Uit mijn opleiding kan ik me er ook niets van herinneren.” Hij ziet zijn vak als dat van “een soort gynaecoloog in een huisartsensetting” en hij noemt zijn baan “oneindig dankbaar: je bent de held van je patiënten. En welke arts wil niet een held zijn?

“Ik ben er persoonlijk trots op dat Nederlandse vrouwen zo snel om een abortus komen. Hoe beter de hulpverlening, hoe eerder. De late zwangerschappen,dat zijn de Duitsen en de Franises, vrouwen die niet in de gaten hebben gehad dat ze zwanger waren en voor wie het nu in eigen land te laat is om de zwangerschap te beëindigen. En de laag ontwikkelden. Veel vrouwen zeggen: ik had nooit gedacht dat ik hier ooit zou liggen. En ook: ik ben eigenlijk tegen abortus.

“Als het waar is dat nu is ontdekt dat een foetus eerder pijn voelt dan tot nu toe werd aangenomen - maar ik betwijfel dat ten sterkste - vind ik dat je daarop je techniek moet aanpassen. Bijvoorbeeld door het aan de foetus toedienen van verdovende medicijnen. Dat zo'n foetus reageert, heeft alleen met reflexen te maken, niets met een pijn-gewaarwording. En vóór ik zo'n verder gevorderde foetus, zo een die zogenaamd “wegloopt voor de tang”, ook maar aanraak, haal ik de navelstreng naar voren. Voor alle zekerheid. Dan sterft hij binnen vijf minuten.

“Voor mij persoonlijk is het criterium: 'dit kan buiten het lichaam van de moeder niet zonder hulp voortbestaan' en het besef: 'hier ligt niet een anonieme vrouw'. Nee, ik vind niet dat de vader helemaal geen rechten heeft, maar ik kan er als arts niet mee werken. De vrouw beslist en wij als artsen laten ons niet verleiden om de motieven te wegen. Wat ik doe, doe ik voor haar.”