Blinde zigeuner

Op het busstation van Gorazde overhandig ik met tegenzin mijn rugzak aan de chauffeur. Nu moet ik, telkens als de bus ergens stopt en de laadklep opengaat, de boel in de gaten houden, terwijl in de bus plaats genoeg is. Mijn rugzak zou zonder bezwaar op een stoel naast mij kunnen staan. Bovendien moet ik 3 DM extra betalen, terwijl het kaartje zelf 6 DM kost. Maar de chauffeur wil het zo - wil wat bijverdienen - en hij heeft het voor het zeggen.

Dus geef ik hem mijn rugzak en bezie met argusogen of hij die wel voorzichtig genoeg behandelt, want mijn computer zit er in en zonder mijn computer, waarop ik mijn aantekeningen uitwerk en de stukken voor de krant schrijf, begin ik niks. Misschien voelt de chauffeur mijn blik op zich branden want hij schuift mijn rugzak behoedzaam tussen de andere tassen.

Op het moment dat ik denk: ja, daar staat-ie goed, daar zal-ie niet gaan schuiven, hoor ik een geluid achter mij waarvan ik schrik, omdat het zo dichtbij is en ik het niet onmiddellijk kan thuisbrengen, een soort kuchen. Tegelijkertijd zie ik vanuit mijn ooghoek een schim, links van mij, half achter mij, en net als het geluid is die schim al erg dichtbij, te dichtbij. Onmiddellijk - een schrikreactie - stap ik opzij en tegelijkertijd kijk ik om. Het is een zigeuner die een stok voor zijn voeten zwaait. Terwijl ik snel nog een pas naar rechts doe om de stok te ontwijken, besef ik dat de zigeuner, als hij doorloopt, zich zal stoten tegen de rand van de ijzeren klep. Want die staat nog open en komt uit de bus schuin naar voren - voor mij op schouderhoogte, voor de zigeuner op ooghoogte.

Het komt allemaal op hetzelfde moment: dat ik zie wat dat is, dat wat plots zo dichtbij mij was en waarvan ik schrok. Dat ik zie dat de zigeuner blind is, dat ik besef dat ik hem ruimte moet geven, en dat ik besef dat, terwijl ik hem ruimte geef, hij tegen die laadklep op zal lopen. En ja, wat moest gebeuren, gebeurt: de zigeuner stoot zijn hoofd tegen de rand van de klep - loopt er in feite zo tegenaan. En het is, omdat ik het heb zien aankomen, alsof ik het zelf voel. Tranen van pijn springen mij in de ogen.

De zigeuner vloekt, wat is dat godverdomme, hij vloekt niet luid, meer in zichzelf, en kijkt vragend om zich heen - dat wil zeggen, maakt die beweging met zijn hoofd, van om zich heen kijken, als om ons, de mensen die bij hem in de buurt staan, te vragen: waarom hebben jullie mij hiervoor niet gewaarschuwd? Nu pas zie ik ook dat hij een klein kind aan zijn hand meevoert, of het kleine kind hem, maar het kleine kind kon onder die klep gemakkelijk doorlopen, het kleine kind is ook nog te klein om geleide te kunnen zijn.

Drie mannen op het busstation, die het hebben zien gebeuren of die hem hebben horen vloeken, schreeuwen iets naar de zigeuner, nemen hem in de maling, lachen.

De zigeuner zegt niets. Terwijl hij zich van de bus verwijdert, betast hij zijn neus en voorhoofd, ruikt dan aan zijn vingers, proeft ze.

Voor zover ik kan zien bloedt hij niet.

De zigeuner scharrelt nog wat rond over het busterrein. Zijn stok is niet wit maar bruin, de tak van een boom. Zijn donkere broek is een vod, zijn lichtbruine T-shirt vaal met vuile vegen. Het kleine kind, zwart onder de neus, loopt gehoorzaam mee. Met grote ronde ogen kijkt het afwezig om zich heen. Zwaaiend met zijn stok tast de zigeuner ook voor het kind de weg af.

Ik loop naar de zigeuner toe, zeg om hem niet te laten schrikken: “alsjeblieft”, pak zijn arm en druk 100 Bosnische dinar in de hand die ook de stok vasthoudt. Het is het bedrag dat ik in Bosnië gewoonlijk aan bedelende zigeuners geef. En al ik heb ik deze blinde niet zien bedelen - dat is toch waarom hij hier op het busstation rondloopt en waarom hij het kind met zich meevoert. De blinde bedankt mij, bevoelt het briefje, en stopt het weg onder zijn T-shirt. “Het is 100 dinar”, zeg ik nog.

Eenmaal in de bus vraag ik mij af hoe een nota bene blinde zigeuner zich hier in godsnaam staande houdt - hier, in dit halfverwoeste, berooide, armoedige land, waarvan zigeuners de straathonden zijn. Telkens weer zie ik de blinde zigeuner tegen die ijzeren klep oplopen, zie ik hem als het ware vragend, beschuldigend om zich heenkijken - waarom waarschuwen jullie een blinde niet? Waarom waarschuw ik een blinde niet?

Maar, ik was bezig met mijn...

Dan pas besef ik dat ik hem één mark heb gegeven, deze blinde zigeuner in Bosnië. Eén mark. Eén.