Baikalmeer blijft oligotroof ondanks grote aanvoer fosfor

Fosfor wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste oorzaken van de eutrofiëring van oppervlaktewateren. Het vormt dus een bedreiging voor oligotrofe ecosystemen.

Het Baikalmeer (Siberië), met zijn oligotrofe karakter, lijkt dan ook kwetsbaar door de al 25 jaar toenemende stroom fosfor die er via ruim 300 rivieren in terecht komt. Dat heeft de bezorgdheid van ecologen gewekt, want dit geologisch uitzonderlijk oude meer (30 miljoen jaar) herbergt, mede door zijn extreme diepte (1.642 m) en zijn grote inhoud (23.000 km water), een unieke flora en fauna. Of (en zo ja: in hoeverre) een ecosysteem verandert, kan onder meer worden bepaald aan de hand van geochemische massabalansen. Een Amerikaanse geoloog en een Russische limnoloog hebben die balans opgesteld voor het element fosfor op basis van literatuur- en veldonderzoek (Marine Geology 139).

Van groot belang voor de fosforbalans is de opname door organismen (en het vrijkomen ervan na het afsterven van die organismen). Organismen komen, ondanks de grote diepte van het meer, in de gehele waterkolom veelvuldig voor.

Dat is een gevolg van de convectie die, direct en indirect, optreedt als gevolg van windstuwing, en van seizoengebonden fluctuaties in de temperatuur van het oppervlaktewater. Dit betekent dat er tot op grote diepte veel zuurstof in het water voorkomt, en dat er daardoor ook in het volledige waterpakket een aanzienlijke invloed is van organismen op de fosforbalans.

Jaarlijks komt er via rivieren zo'n 1.200 ton opgeloste fosfor in het Baikalmeer terecht. Daarnaast wordt er in de vorm van verbindingen in deeltjes ook nog eens 5.600 ton in suspensie aangevoerd; via de atmosfeer komt daar nog zo'n 700 ton bij. De totale jaarlijkse aanvoer van fosfor bedraagt dus circa 7.500 ton. Ongeveer 1.000 ton daarvan verdwijnt weer in oplossing via de enige rivier die uit het meer stroomt; volgens schattingen verdwijnt ongeveer 100-200 ton via deze rivier in de vorm van deeltjes in suspensie. Per jaar blijft er dus netto zo'n 6.300-6.400 ton fosfor in het meer achter. Dat is relatief weinig in verhouding tot de ongeveer 80.000 ton die jaarlijks door fytoplankton wordt opgenomen, waarvan weer 4.500 ton in het sediment op de bodem terecht komt (de rest ondergaat remineralisatie).

Ruwe bemonsteringen geven aan dat jaarlijks zo'n 3.600 ton fosfor per jaar via niet-biogene processen in het sediment terechtkomt. Samen met de 4.500 ton 'organische' fosfor is dat 8.100 ton, dus 1.700-1.800 ton meer (!) dan er netto wordt aangevoerd. Dat kan uiteraard niet waar zijn, althans niet over langere perioden. De balans moet dus - wat haast per definitie het geval is in dergelijke complexe situaties - onnauwkeurig zijn. Toch geven de cijfers een duidelijke indicatie dat er, ondanks de door menselijke invloeden toenemende aanvoer van fosfor, geen reden is om eutrofiëring van het oligotofe meer aan te nemen.