Zes joden en zes Duitsers

AMSTERDAM/DÜSSELDORF. De grimeuse adviseerde mij een huidarts. Ze kende een hele goeie en wilde naam en adres wel even op een papiertje schrijven. Maar toen bleek dat ik de volgende dag Nederland alweer zou verlaten, verzuchtte ze dat het geen zin had. “In New York zijn ook hele goeie huidartsen”, zei ze nog. De redactie van Zomergasten had gezegd, “een dag van tevoren de haren wassen geeft de beste resultaten.” Ik vroeg me af of ze dit ook tegen kale gasten zeiden.

En als koningin Juliana doodging, zouden we op zwart gaan.

Ik waste mijn haren twee dagen van tevoren, want één dag van tevoren zat ik in het vliegtuig. Zes dagen van tevoren ging ik naar mijn kapper. Hij vroeg nog net niet, “zó moet je weer op televisie.” Aan zijn blik kon ik zien dat het niet veel scheelde.

En ook koningin Juliana ging niet dood.

Vlak voor aanvang zei een meneer van de techniek, “als het rode lampje brandt dan staan de microfoons open, als het niet brandt dan kunnen jullie zeggen wat jullie willen.”

De leukste dingen hebben wij gezegd toen het rode lampje niet brandde. Gelukkig dat ik dat nu allemaal kan opschrijven zodat het niet voor niets is geweest.

Een andere meneer zei, “wil je alsjeblieft niet te veel naar de monitor kijken. Een vorige gast keek heel veel naar de monitor. Maar dat is toch een beetje storend, want je bent in gesprek met Wim T. Schippers en niet met de monitor.”

Wat er ook gebeurt, nam ik me voor, ik blijf Wim T. Schippers aankijken. Ze geven dat soort adviezen niet voor niets.

Een uur voor aanvang aten wij een Italiaanse maaltijd. Wim zei, “zijn we nog niet in de uitzending?”

Maar iemand van de redactie stelde me gerust: “Dat zegt hij iedere week.”

In de kleedkamer zei Wim, “ik ben blij dat je er bent.” Ik zag dat hij het meende. “Ik ben blij dat jij er bent”, zei ik. En toen wisten we allebei niets meer te zeggen.

Later, tijdens een van de vele momenten dat het rode lampje niet brandde fluisterde Wim T. Schippers, “je kijkt me de hele tijd aan alsof ik domme vragen stel. Weet je dat?”

“Maar dat hebben ze tegen me gezegd”, antwoordde ik, “dat ik jou moest blijven aankijken.”

“Ja maar toch niet zo”, zei Wim, “zoals je me nu de hele tijd zit aan te kijken.”

Ik legde uit dat dit mijn manier van kijken was en dat ik geen andere wist.

“Oké”, zei Wim, “kijk me dan maar aan zoals je altijd kijkt, maar als het fragment is afgelopen, dan moet jij gewoon beginnen te praten.”

Dat deed ik dus.

Tijdens een ander moment dat het rode lichtje niet brandde zei Wim, “ik vind Raffaella Carra ook goed, maar ik dacht, even voor advocaat van de duivel spelen.”

Ik keek hem verbaasd aan.

“Had je dat niet door?”

“Nee”, zei ik.

En toen was daar het rode lichtje weer.

Tijdens het vierde of vijfde fragment werden wij bijgepoederd. De grimeuse zei tegen me, “dat gaat wel snel, die Martini.”

Toen ging ik maar over op water, want ik herinnerde me een ander advies van de redactie: “Denk er wel om dat je niet dronken wordt, althans niet tijdens de uitzending.”

Vier keer ging ik naar de wc. Steeds in grote haast, want men had mij verteld hoe vorig jaar Jan Vrijman een keer maar niet was teruggekomen van de wc en toen het fragment ten einde liep, had men besloten maar op de deur te kloppen. Het leek me inderdaad een een bijzonder onaangenaam tijdstip opgesloten te raken in een wc. Voor de zekerheid draaide ik de deur niet op slot.

Wim T. Schippers moest geen enkele keer naar de wc, en ik vroeg me af hoe hij dat klaarspeelde.

Terwijl we naar Le mari de la coiffeuse zaten te kijken, zei hij, “valt je dat kunstgebit ook zo op?”

Ik had helemaal niet op kunstgebitten gelet. Ik zat naar de film te kijken. Maar met kunstgebitten is het net zo als met pruiken. Als je er eenmaal op gaat letten, zie je ze overal. Eerst liepen we achter op het schema, toen voor, en vervolgens was de uitzending afgelopen.

“We zijn eruit”, riep iemand.

“Hè nee”, riep Wim, “het begon net gezellig te worden, laten we nog even doorgaan.”

Maar iemand van de techniek kwam al op ons afgestapt om ons de microfoons van het hemd te scheuren.

Ik liep naar de uitgang. En toen was daar, als klap op de vuurpijl, Hanneke Groenteman.

Ik was zo verbaasd dat ik zei, “wat doe jij hier? Ben je niet meer in Frankrijk?”

We omhelsden elkaar. Sommige mensen zijn onvermijdelijk in je leven. Ik reken in mijn leven Hanneke Groenteman tot die categorie. Als ik ooit ga trouwen zal ik haar dan ook vragen bruidsmeisje te worden, en ik weet bijna zeker dat ze die rol met plezier zal vervullen.

“De fragmenten waren prachtig”, zei Hanneke.

Wat me doet denken aan het ergste commentaar na afloop van een toneelvoorstelling: 'Er zaten mooie stukken in.'

Franse kaas was er ook. Mensen stonden in groepjes bij elkaar. Velen had ik nog nooit gezien. Ik schudde hier en daar een hand.

Ik kreeg twee cadeautjes. Een boek over Marlon Brando en een boek over Muhammed Ali.

Toen gingen we naar bar San Francisco. Hanneke Groenteman niet. Die moest naar huis. “Ik ga”, zei ze. En opnieuw omhelsden we elkaar.

Iedereen moest op de fiets. Maar de regisseur had een Mercedes. Ik, mijn vriendin en een vriend mochten in zijn Mercedes. Hij zei niet veel. Op Raffaella Carra na had hij de hele avond niets gevonden, werd mij later verteld.

In San Francisco was de muziek heel hard. We zaten aan een tafeltje en konden elkaar niet verstaan.

Alleen als we brulden.

“Je hebt geschreven”, brulde Wim, “dat ik schelpen met macaroni heb versierd, maar ik heb macaroni met schelpen versierd, dat is heel iets anders.”

Ik wilde wat terugzeggen, maar iemand anders brulde, “wie wil er wat drinken?”

Ondanks de harde muziek was het heel gezellig. Men staarde voor zich uit of keek naar dansende mensen. De regisseur zat niet aan ons tafeltje. Hij had nog grote moeite gehad zijn Mercedes te parkeren.

Vlak voor ik wegging zei een jongeman tegen mijn vriendin, “ik heb je hier nog nooit gezien en je bent zo mooi.”

“Je gaat op tijd weg”, zei Wim T. Schippers tegen me. “Mag ik je een kus geven?”

Dat mocht. Het is altijd mooi, dacht ik, als twee contactgestoorde mensen elkaar een kus geven. Zoiets geeft hoop.

In de taxi naar huis moest ik de hele tijd aan de huidarts van de grimeuse denken en dat ik eigenlijk eens iets zou moeten schrijven waarin allemaal huidartsen voorkomen.

De volgende ochtend vertrok ik naar Düsseldorf. Het Schauspielhaus Düsseldorf had mij uitgenodigd een stuk te schrijven voor zes jonge Duitse en zes jonge Israëlische acteurs. Volgend jaar zou de joodse staat vijftig jaar bestaan. Noordrijn-Westfalen had extra geld toegezegd voor dit project. Men was enthousiast.

Die avond ontmoette ik op een terrasje voor het Schauspielhaus de dramaturg en de regisseur van dit project. Het was heet in Düsseldorf.

De dramaturg heette Ingoh en de regisseur Bryan.

Het idee was om zes Duitse en zes Israëlische jonge acteurs twee weken bij elkaar te brengen in Israel. Ik zou daar bij zijn en over die ontmoeting moest ik dan een stuk schrijven.

Ingoh dronk mineraalwater, Bryan wilde witte wijn. “Ik moet nog rijden”, zei hij, “maar ik heb een Mercedes en dat zijn veilige auto's.” Weer iemand met een Mercedes dacht ik.

Hij was meer geïnteresseerd in wijn dan in het stuk.

Een paar keer zei hij, “we stoppen die zes joden en die zes Duitsers in een hok en dan kijken we wat er gaat gebeuren. Ja, ik mag dat zeggen want ik ben zelf jood.”

Ingoh was helemaal niet gecharmeerd van het idee zes joden en zes Duitsers in een hok te stoppen.

Bryan vertelde over de tijd dat hij opera regisseerde in Stuttgart. Tegenwoordig had hij een huis in Bonn dat uitkeek op de Rijn. “Waar kijkt jouw huis op uit?” wilde hij weten en bestelde nog meer wijn.

“Laten we het over het project hebben”, zei Ingoh. “Daarvoor zitten we hier ten slotte. Ik weet niet of het een goed idee is ze gewoon in een hok te stoppen, we moeten wat voorbereiden want anders gebeurt er helemaal niets.”

Ik bekende voorzichtig dat ik het met Ingoh eens was.

Hij was een aardige man. Hij zei, “ja ik zit hier alleen als Duitser en jullie zijn twee joden.” Ik fluisterde in zijn oor dat ik aan zijn kant stond.

“Dus in februari gaan we naar Israel”, zei ik, “met jou en Bryan?”.

“Precies”, zei Bryan, “dan stoppen we zes joden en zes Duitsers in een hok, en dan gaan we samen koken.”

Ik keek Ingoh aan, ik keek Bryan aan, maar hij meende het serieus. Hij wilde zes joden en zes Duitsers in een hok stoppen en dan samen koken. En ik moest daar een stuk over schrijven. Een werktitel had ik al 'samen koken.' Of beter nog, 'bakken en braden.'

Die avond bracht Bryan me in zijn Mercedes naar mijn hotel.

“Dat boek van jou hè”, zei hij voor ik uitstapte, “ja dat schoolgedeelte heb ik overgeslagen dat is me te ver weg, maar die hoeren.” Toen pakte hij mijn hand en liet die een tijdje niet meer los.