Voor het eerst van mijn leven ben ik een optimist; Gesprek met Czesaw Miosz

In Nederland is de van oorsprong Litouwse schrijver Czesaw Miosz vooral bekend als een politiek auteur van boeken over de teloorgang van de Midden-Europese beschaving. Miosz ziet zichzelf in de eerste plaats als dichter, de laatste jaren van steeds lichtere poezie.

In onze onschuld willen wij nog wel eens denken dat de Nobelprijs het hoogste is wat een schrijver bereiken kan. Dat is niet zo. Boven, op de literaire Olympus, wordt opnieuw een strenge schifting aangebracht. De goden zelf onderscheiden weer grotere en kleinere godheden. Een paar jaar geleden zat ik in een taxi met Joseph Brodsky. De dichter kwam net uit Stockholm waar hij de jaarlijkse bijeenkomst van Nobelprijswinnaars had bezocht, en vertelde wie er dit keer waren komen opdagen. Zijn indrukwekkende rijtje werd besloten met Czesaw Miosz, Nobelprijswinnaar in 1980. Na het noemen van die naam pauzeerde Brodsky even - en zei toen: “Maar ja, Miosz steekt wel mijlenver boven de rest uit. Vergeleken met hem zijn alle anderen ....” Hij maakte een handgebaar.

In Krakau barst de inmiddels 86-jarige Miosz uit in een vrolijke lach bij deze anekdote. Nee, dat Brodsky zó positief over hem sprak, wist hij niet. Al kan het hem niet echt verbazen. De vorig jaar overleden Rus behoorde sinds hij zich in 1972 in Amerika vestigde tot zijn dierbaarste vrienden. En wanneer het vrienden betrof, kon Brodsky gul zijn in zijn bewondering. Achterop recente vertalingen van Miosz' poëzie wordt stelselmatig zijn uitspraak geciteerd: 'één van de grootste dichters van deze tijd, misschien wel de allergrootste'.

Miosz deelde met Brodsky zijn noordelijke afkomst. Hij werd in 1911 geboren op het toen nog tot het Russische tsarenrijk behorende Litouwse platteland en schreef, net als Brodsky, aanvankelijk traditionele, lyrische poëzie. Belangrijker is waarschijnlijk geweest dat beiden van nabij de gevolgen van het nationaal-socialisme en het communisme ervoeren. Net als Brodsky ging Miosz halverwege zijn leven in ballingschap. Na enkele jaren in Europa vestigde hij zich in 1960 in het Amerikaanse Berkeley waar hij de kost verdiende met het doceren van Poolse literatuur.

Sinds een paar jaar heeft Miosz echter weer een huis in Polen. In een van buiten sterk verwaarloosd appartementengebouw halverwege de oude binnenstad en het voormalige getto van Krakau heeft hij een flat gekocht waar hij met zijn Amerikaanse vrouw de zomers doorbrengt. “Het is de stad die me nog het meest aan het vroegere Vilnius herinnert,” zegt hij. Na een leven vol verhuizingen, waarvan hij in zijn boeken verslag uitbrengt, is de dichter hier aan zijn laatste etappe begonnen. 's Winters ontsnapt hij nog graag naar de warmte van Californië, maar de rest van het jaar woont hij hier. Hij schrijft artikelen voor een liberaal katholiek Pools weekblad en probeert te volgen wat er aan literatuur verschijnt. Twee jaar geleden was hij de grote promotor van het romandebuut Meisje Niemand van Tomek Tryzna. En samen met zijn mede-Nobelprijswinnaar Wisawa Szymborska is hij deze zomer erevoorzitter van het plaatselijke poëziefestival.

De meer dan twintig jaar die Miosz op de campus in Berkeley heeft doorgebracht, maakten geen Amerikaan van hem. Hoewel hij lachend de deur opent in een fel blauw jeans-shirt en een ribfluwelen mouwloos vest, heeft zijn Engels een duidelijk slavisch accent. Hij wijst erop dat zijn gehoor slecht begint te worden, en dat hij misschien niet alles zal verstaan. Maar dat is misschien mede een kwestie van taal. “Waarom zegt u het niet in het Frans,” oppert hij na enige tijd. En plotseling is het of hij een verjongingskuur ondergaat. In een prachtig accentloos Frans dat nog van voor de oorlog moet stammen, geeft hij op elke vraag uitvoerig antwoord. Het duidt erop dat Miosz zich vermoedelijk meer in de Franse dan in de Amerikaanse cultuur thuisvoelt. In zijn autobiografische werk beschrijft hij hoe hij in 1934 met een beurs naar Parijs vertrok, waar zijn oom woonde, de destijds bekende schrijver Oscar Vladislas de Lubicz Miosz (1877-1939). Onder zijn invloed en leiding heeft zich naar zijn zeggen zijn wereldbeeld en poëtica gevormd.

Goedwillend

In Nederland is Czesaw Miosz voornamelijk bekend als dichter van verzen over de crisis en de ondergang en als schrijver van ernstige boeken over de teloorgang van de Midden-Europese beschaving. In 1953, twee jaar nadat hij gedesoriënteerd zijn functie als cultureel attaché op een Poolse amabassade had opgegeven, publiceerde hij zijn studie De geknechte geest (The captive mind). In dit nog altijd zeer lezenswaardige boek analyseerde hij waarom het communisme direct na de oorlog zo'n vruchtbare voedingsbodem voor goedwillende intellectuelen kon zijn. Daarna verscheen onder meer zijn ook in het Nederlands vertaalde autobiografische roman Het dal van de Issa (1955), een poëtische evocatie van zijn geboortestreek. Van dit boek zegt Miosz nu dat hij het schreef als therapie. “Ik dreigde in die tijd vergiftigd te raken door gewichtige woorden, de geschiedtheorieën van Hegel, en vond dat ik me weer meer op de kleine details van het leven moest gaan richten”. In 1959 verenigde Milosz zijn verschillende kanten in wat nog altijd een van zijn mooiste boeken is: het later in de reeks Privédomein opgenomen autobiografische essay Geboortegrond. Hierin gaat hij uitvoerig in op de geschiedenis van zijn familie in Litouwen en op zijn eigen wederwaardigheden voor en na de Tweede Wereldoorlog. Sindsdien verschenen in Amerika en later ook Polen met enige regelmaat essay- en poëziebundels. In een van de laatste in die reeks, Beginning with my streets, haalt hij een aantal persoonlijke herinneringen op, onder meer aan zijn moeizame haat-liefde verhouding met de Poolse schrijver Witold Gombrowicz.

Dat maakt nieuwsgierig naar hoe Miosz de recente veranderingen in Oost- en Midden-Europa ziet. Geven het einde van het communisme en de terugkeer van de persvrijheid hem geen aanleding tot een optimistischer houding? Miosz laat meteen weten dat er de laatste jaren inderdaad veel ten goede is veranderd. “Ik ben een optimist geworden!”, zegt hij. “Voor het eerst in mijn leven.”

Niet dat hij nu helemaal geen kritische kanttekeningen meer bij de actualiteit plaatst. Zo ziet Miosz, net als in het Amerika van de jaren zestig en zeventig, in Polen een 'institutionalisering van de bohemiens', waar hij vraagtekens bij plaatst. “Het type van de all-round negentiende-eeuwse intellectueel begint hier steeds meer te verdwijnen. In zijn plaats komt er een soort schrijver op die op de universiteit zijn uitwijkplaats vindt. Niet dat ze daar zoveel verdienen, de Poolse universiteiten zijn erg arm. Maar het gevolg is dat de Poolse schrijvers gedwongen worden om specialismes te ontwikkelen om les in te kunnen geven. Dat zorgt voor een heel ander soort schrijver dan vroeger.”

Ook in de internationale politiek is er nog wel het een en ander dat beter kan. Opmerkelijk aan Miosz werk is dat hij er steeds weer in terugkeert naar zijn geboortestreek, 'het dal van de Issa' en naar de stad Vilnius, waar hij de universiteit bezocht. Dat gebeurt ook weer in zijn zojuist in Duitsland verschenen Die Strassen von Wilna. In dit kleine literair reisboek schrijft Miosz, in een briefwisseling met de Litouwse dichter Tomas Venclova, dat hij in Vilnius nu eenmaal zijn puberteit heeft beleefd. Vilnius staat voor hem daardoor voor “de tijd waarin ik nog geloofde dat mijn leven, hoe dan ook, ooit normaal zou verlopen - pas daarna is alles doorelkaar geraakt, zodat Vilnius een ijkpunt bleef, in die zin dat het staat voor het in potentie normale.”

Ereschuld

Met Die Strassen van Wilna heeft Miosz, naar hij zegt, een ereschuld willen inlossen tegenover de stad die hij in 1935 op 25-jarige leeftijd verliet. “Ik wil hiermee als verzoener tussen Polen en Litouwen optreden. Als verbindingsman. Juist nu de relaties tussen beide landen iets beter beginnen te worden, is dat erg nodig.” Zoals hij in het boekje uitlegt, is de verhouding tussen de Pools sprekende bovenlaag in Litouwen en de Litouws sprekende, minder geletterde bevolking in de loop van de geschiedenis vaak erg vertroebeld geweest. De in Litouwen wonende Polen (of Pools sprekende Litouwers) die vaak van adellijke afkomst waren, werden, ook als ze al vele generaties in de streek woonden, door de nationalistische Litouwers als koloniale macht gezien. Litouwen maakte in de loop van de geschiedenis een paar keer deel uit van de Poolse staat, het laatst tussen de beide wereldoorlogen, en in die tijd was Pools de taal van de officiële cultuur. Mede als reactie daarop werd het land met steun van de Duitsers aan het begin van de Tweede Wereldoorlog verregaand 'ontpoloniseerd'. Pools sprekende politici en intellectuelen werden het land uitgezet, en het Pools werd een omstreden minderheidstaal.

Deze geschiedenis verklaart, naar hij zegt, waarom Miosz, nu het communistisch regime in Litouwen verdwenen is, voor zijn gevoel nog steeds niet naar zijn 'geboortegrond' terug kan. “In Litouwen is men op dit moment erg overgevoelig voor 'polonisering'. Er is daar nu wel een Poolse minderheid, maar die is, zoals steeds in zulke situaties, erg zelfbewust. Er heerst daar nu een situatie zoals in Ierland. In Litouwen zou ik als een Ier zijn die in het Engels schrijft.”

Overigens wil Miosz bezwaar maken tegen de veronderstelling dat hij tot voor kort alleen pessimistische boeken schreef. “Dat is een vertekend beeld, dat is ontstaan door wat er van mij in andere talen is vertaald. Ik ben bang dat ik in de loop der jaren veel te veel boeken heb geschreven. Ik heb op teveel piano's gespeeld. Ik heb poëzie geschreven, poëzie vertaald, ik heb een bijbel-vertaling gemaakt, essays geschreven, kritieken, romans, een literatuurgeschiedenis. Van al die boeken zijn mijn politieke essays het bekendst geworden. Ik ben gebrandmerkt als politiek schrijver, maar zelf heb ik heel andere voorkeuren. Ik ontken niet dat ik die politieke essays geschreven heb, en ik heb er ook geen spijt van, maar het zijn wel net de boeken die me zijn opgedrongen door de omstandigheden. Soms voelde ik me genoodzaakt om mijn lezers iets uit te leggen, om ze in een gegeven situatie in een bepaalde richting te duwen.”

Zijn studie De geknechte geest schreef hij bij voorbeeld om uit te leggen waarom zoveel Poolse schrijvers die hij wel degelijk serieus nam aanvankelijk met het communistische regime meewerkten. Miosz bestempelt het boek nu als een analyse van het “klassieke, stalinistische gezicht van het communisme”. Het beschrijft de sfeer kort na de oorlog, toen Polen nog niet van een 'totalitaire staat' in een 'ordinaire politiestaat' was veranderd. “Poolse intellectuelen wilden in die tijd hun gedrag nog met allerlei theorieën funderen. Later werd iedereen daarin veel praktischer en cynischer.”

Op dezelfde manier schreef hij Geboortegrond uit een van buiten komende noodzaak. Na zijn vestiging in Westeuropa had Miosz gemerkt dat niemand in zijn omgeving hem als een uit Litouwen afkomstige, Pools schrijvende, Westeuropeaan kon plaatsen.

Tweetalig

Miosz wijst erop dat hij zichzelf in de eerste plaats als dichter ziet. Hij staat op om een recente Amerikaanse tweetalige bloemlezing van zijn werk uit de zitkamer te halen, en zegt: “Een deel van mijn gedichten heb ik, zoals hier, met hulp van vrienden in het Engels kunnen vertalen, zodat men daar nog enigszins weet wat ik schrijf. Maar voor andere talen kan dat niet. Ik ben daar afhankelijk van selecties en interpretaties.”

Voorzover er gedichten van Miosz in het Nederlands of het Duits zijn vertaald, hebben deze vaak een zware, sombere ondertoon. In de bloemlezing Zeichen im Dunkel van de Duitse vertaler en literatuurpromotor Karl Dedecius zijn bij voorbeeld relatief veel gedichten op genomen die Miosz in de donkere jaren dertig en veertig schreef. Lange gedragen verzen over de naderende crisis en de daarop volgende ondergang. In een van zijn bekendste gedichten, 'Campo di Fiori' (1943), vergelijkt Miosz het sterven van joden in het getto van Warschau met het sterven van Giordano Bruno op het Romeinse Campo di Fiori. Niet eens het sterven is zo schokkend, schrijft hij, maar dat het gebeurt bij heldere hemel, terwijl rondom het drama het dagelijks leven gewoon doorgaat. 'Ook deze slachtoffers zijn eenzaam, / Nu al vanaf de weg vergeten, / En vreemd is ons hun taal, / Alsof deze van een andere planeet kwam.

Uit Miosz' laatste Amerikaanse bundels, zoals Bells in Winter, blijkt echter dat hij de laatste jaren steeds lichtere poëzie is gaan schrijven. In Californië is hij onder invloed van Amerikaanse dichters als Walt Whitman geleidelijkaan tastbaarder en kosmischer geworden. Commentaar op historische gebeurtenissen maakte steeds vaker plaats voor reflecties op het leven, op de beschaving en de vergankelijkheid, en voor ingehouden beschrijvingen van de Amerikaanse natuur. In een recente bundel heeft hij zelfs een groot aantal korte gedichten bijeengebracht over de fysieke, zintuiglijke aspecten van de werkelijkheid: over kleuren, vormen en geluiden.

Het gevolg is dat Milosz met het stijgen van zijn leeftijd steeds relativerender en jeugdiger lijkt te worden. In 1936, toen hij pas 25 was, haalde hij in een gedicht nog herinneringen op aan een tocht met vrienden door de kou, terwijl ze een haas zien. Hij schrijft, ouwelijk voor zijn leeftijd: 'Dat was lang geleden. Nu is geen van hen nog in leven, / Noch de haas, noch de man die het gebaar maakte.' Zelfs in de jaren veertig, wanneer de catastrofale gevolgen van de oorlog duidelijk zijn, klinkt hij minder somber dan in de jaren dertig. Nadat de onheilsvisioenen eerst heel zwaar zijn aangezet, wordt de toon later terughoudender. Alsof de directe confrontatie met zoveel dood Miosz tot inkeer en bezinning brengt.

Hij beantwoordt de suggestie dat zijn leeftijd een paradoxale rol speelt met een instemmende lach: “Nu ben ik oud. Ik vind het leven prettiger. Ik ben minder gauw geïrriteerd. Denk serener over de wereld. Ik zie de neiging van de Poolse bevolking om altijd over alles te klagen, maar ik heb daar zelf geen reden meer toe.” Hij vertelt dat er onlangs werk van hem is opgenomen in een bloemlezing met boeddhistische poëzie. “Ik ben geen boeddhist, ik voel me nog steeds katholiek, maar mijn werk heeft kennelijk dezelfde intentie.”

Catastrofisten

Met zijn eerste gedichten, uit de jaren dertig, wordt Czesaw Miosz in de handboeken meestal ondergebracht bij de groep van de 'catastrofisten'. Anders dan de experimentele dichters uit die tijd die zich op de internationale avant-garde oriënteerden, voelde de in Vilnius geconcentreerde catastrofisten zich sterk bedrukt door wat ze zagen als een naderende morele crisis. Ze moesten weinig van esthetische vormexperimenten hebben. In plaats daarvan streefden ze naar een zo groot mogelijke helderheid en toegankelijheid. In 1936 dichtte Miosz (in de Duitse vertaling van Karl Dedecius): 'Oh, finstrer Mob auf grünendem Getreide, / die Krematorien sind wie weisse Felsen / und Rauch quilt aus den Nestern toter Wespen.'

Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat Miosz, net als in Nederland een schilder als Carel Willink, de ondergang van de beschaving voorzag. Maar de dichter beseft hoe vrijblijvend zo'n constatering is. Het vooruitzicht van ten ondergaande beschavingen is van alle tijden. Ook in jaren van voorspoed kunnen dichters dagelijks aan de dood denken. “Ik denk dat je het persoonlijke en het maatschappelijke van zo'n onheilsgevoel niet van elkaar kunt scheiden,” zegt hij. “Ik ben als schrijver ontwaakt op het moment dat Hitler aan de macht kwam. Ik was in die jaren heel pessimistisch. Mensen zijn gecompliceerde wezens. Ze steunen onbewust op collectieve angsten, maar tegelijk kan ik niet ontkennen dat mijn pessimisme mede voortkwam uit een ontregeling van mijn eigen gevoelsleven. Onder de avant-garde-dichters zaten in diezelfde tijd veel mensen die in de vooruitgang en in het socialisme geloofden. Wij voelden juist een vreemde mengeling van aan de ene kant een afkeer van het kapitalisme en aan de andere kant een groot wantrouwen tegenover de Sovjet-Unie. In mijn poëzie heb ik geprobeerd tussen die twee polen door te manoeuvreren, zonder me aan het een of het ander over te geven.”

Mevrouw Miosz komt het zijkamertje binnen waar we zitten. Het gesprek loopt ten einde. Ze vraagt hoe alles is verlopen, strijkt haar man liefkozend over zijn rug, en zegt: “I guess you were brilliant. As usual.” De dichter laat nog één keer zijn tevreden lach horen.

Ik vraag hem waarom hij, als hij altijd zo intens van Vilnius is blijven houden, daar in 1935 vrijwillig is weggegaan. Hij antwoordt: “Het was me te benauwd geworden. Ik verlangde ernaar de wijde wereld in te trekken. Ik werkte in Vilnius voor de Poolse radio en was daar een politiek obstakel voor het lokale bestuur geworden. Mijn superieuren besloten me daarom over te plaatsen naar Warschau en dat wilde ik wel. Ik wilde daar weg. Maar niet voorgoed!”

De Nederlandse vertalingen van Het dal van de Issa, Geboortegrond en De Geknechte Geest zijn alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. In het Engels zijn van Czesaw Miosz onder meer leverbaar: Selected Poems (Penguin 33,65); Beginning with my streets (Farrar, Straus & Giroux, ƒ 70,40) en The Captive Mind (Penguin 33,65). In het Duits zijn onder meer de bloemlezing Zeichen im Dunkel (Suhrkamp, ƒ 11,20) en het reisboek Die Strassen von Wilna (Hanser, ƒ 33,30) leverbaar.