Verbod helpt landmijnen nog niet de wereld uit

De regeringsconferentie in Oslo over de uitbanning van landmijnen begon maandag met een minuut stilte ter nagedachtenis van prinses Diana. De prinses heeft zich ingespannen voor een verbod op antipersoneelmijnen, die jaarlijks vele slachtoffers maken, zelfs als de oorlogen waarin zij werden gelegd of afgeworpen allang tot het verleden behoren. Afghanistan, Cambodja, Angola en Bosnië zijn de beruchtste streken, maar ook in Libië maken uit de Tweede Wereldoorlog stammende mijnen nog regelmatig slachtoffers.

In de loop der jaren zijn grote aantallen mijnen rondgestrooid. Het vraagstuk van de verborgen vernietigers staat ook al jaren op de internationale agenda. Maar de aandacht die de prinses voor de slachtoffers heeft opgeëist, heeft de behandeling van het thema een krachtige impuls gegeven. “We zullen op deze conferentie geen middel ongebruikt laten om de doelen te bereiken die zij zichzelf had gesteld”, verklaarde de Noorse minister van Buitenlandse Zaken in zijn openingsrede.

Volgens Amerikaanse gegevens liggen een 110 miljoen landmijnen verspreid over 64 landen. Jaarlijks komen een 26.000 personen om als gevolg van een onverhoeds contact met mijnen. Het aantal verminkten is onbekend.

Een jaar geleden schreef Menno Steketee in deze krant: “Vorig jaar ruimden speciaal opgeleide troepen en particuliere bedrijven in de hele wereld ongeveer 120.000 mijnen, de meeste in Cambodja, Angola en Koeweit. In het zelfde jaar legden soldaten wereldwijd omstreeks 2,5 miljoen 'slapende explosieven', vooral in voormalig Joegoslavië.”

Onder de slachtoffers zijn militairen, maar het aandeel van de burgerbevolking neemt toe, juist en lang nadat de strijd is gestreden: ploegende boeren, waterdragende vrouwen, veehoedende en spelende kinderen. Na beëindiging van de vijandelijkheden zijn de explosieven veelal verweesd achtergebleven. De registratie van de mijnenvelden laat te wensen over of is verloren gegaan. Er is nationaal noch internationaal genoeg geld en geoefende mankracht beschikbaar om de opruiming overtuigend ter hand te nemen.

De mijn is een goedkoop en doelmatig verdedigings- en terreurwapen (boobytrap). De aanvaller of het argeloze doelwit zet het zelf in werking. Mijnen hebben in beide capaciteiten hun militaire nut bewezen. Hoewel tal van landen zich nu voor een verbod op gebruik, export, productie en opslag uitspreken, worden tegelijkertijd nogal wat uitzonderingen bedongen.

De Amerikanen willen hun mijnenvelden handhaven langs de demarcatielijn tussen Noord- en Zuid-Korea. Ook Israel, India, Pakistan en Finland hebben een voorbehoud gemaakt, Griekenland en Turkije doen dit met betrekking tot de zogenoemde groene lijn waarlangs Cyprus verdeeld is gebleven.

De vaak dubbelhartige houding van regeringen schetst het dilemma waarin zij zich bevinden, een dilemma waarin ethiek en opportuniteit met elkaar in botsing komen. Rondom oorlogvoering en wapengebruik zijn van de vroegste tijden af ethische vragen gesteld. Met een simpel 'oorlog is oorlog' heeft de mensheid zich niet tevreden willen stellen en zo zijn er regels gekomen over de behandeling van burgers, 'open (onverdedigde) steden', krijgsgevangenen, gewonden en gesneuvelden.

Tot op de dag van vandaag zijn de Verenigde Staten in overleg met Vietnam over de teruggave van stoffelijke resten en het verlenen van medewerking bij de opsporing van vermisten. De vervolging van van oorlogsmisdaden verdachten in Bosnië beoogt het oorlogsrecht toe te passen op formeel niet-verklaarde oorlogen.

Niet alleen de handelwijze van oorlogvoerenden, maar ook verschillende typen wapens worden in de ethische afweging betrokken. In de Middeleeuwen was het wapengebruik van christenen onderling een object van pauselijke zorg. In de Koude Oorlog is er een overkill aan kernwapens (onder meer atoommijnen) aangemaakt, maar tegelijkertijd werden er pogingen gedaan om tot 'beheersing' van die wapens te komen. Uit ethische overwegingen, maar bij de direct betrokkenen zeker ook uit lijfsbehoud. Al eerder, op grond van de ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog, hadden de grote mogendheden zich afgekeerd van de inzet van gifgassen, hoewel niet van aanmaak en opslag.

Conventionele, 'gewone', wapens zijn tot dusver betrekkelijk vrij van reglementering gebleven. Weliswaar heeft een aantal landen zichzelf de verplichting opgelegd geen wapens aan 'spanningsgebieden' te leveren, en wordt van tijd tot tijd voor een bepaald gebied een internationaal wapenembargo afgekondigd, maar de ervaring leert dat wie wapens wil hebben er altijd aan kan komen. Langdurige en steeds weer oplaaiende gewapende conflicten bewijzen dat de geldende regels de wapenstromen niet werkelijk hinderen.

De aandacht voor de antipersoneelmijn staat min of meer op zichzelf. Het gaat hier niet in de eerste plaats om de beheersing van een bepaalde vorm van oorlogvoering, maar om het beteugelen van de gevolgen ervan.

Formeel zijn mogendheden gehouden mijnenvelden op te ruimen als de militaire noodzaak ervan is komen te vervallen. Maar in de ongeregelde oorlogen van de afgelopen decennia heeft niemand zich veel aan die regel gelegen laten liggen. Met als gevolg dat onbeheerd achtergebleven mijnen een blijvend gevaar betekenen voor de naar de slagvelden teruggekeerde burgerbevolking. Een verbod zou kunnen helpen voorkomen dat de gevaren in de toekomst verder toenemen.

De acties van prinses Diana hebben zeker bijgedragen tot de groeiende belangstelling voor de slachtoffers van mijnen. De vraag is of regeringen in de komende maanden voldoende eensgezindheid kunnen bereiken om aan het gebruik en de verspreiding van mijnen een einde te maken.

Er zijn nog verschillende obstakels te overwinnen, het voornaamste: de achterdocht tegen de buren die nu juist tot het leggen van mijnen heeft geleid. Maar zelfs als het tot een verbod komt, is het vraagstuk nog ver van een oplossing. De tientallen miljoenen achtergelaten mijnen zijn er niet mee opgeruimd. En dat had de prinses zich nu juist als doel gesteld.