Van tankermatroos tot thrillerschrijver

Paul Auster: Hand to Mouth. Henry Holt, 449 blz. ƒ 46,90

Schrijver is hij, dichter, essayist en romancier. Na zijn autobiografische prozadebuut The Invention of Solitude publiceerde hij acht romans waarin hij experimenteerde met typisch Amerikaanse literaire genres als de private-eye-roman en de road novel. Zijn New York Trilogy wordt - vooral door Europeaanse critici - gerekend tot de moderne klassieken van de Amerikaanse literatuur, en zijn laatste roman Mr Vertigo (1994) was zelfs een bescheiden verkoopsucces. Toch werd Paul Auster (Newark 1947) pas echt internationaal beroemd toen hij zich met film ging bemoeien. Twee jaar geleden debuteerde hij als scenarioschrijver en regisseur van het veelgeprezen tweeluik Smoke en Blue in the Face; sindsdien moest hij de filmproducenten van zich afslaan en werd hij gevraagd voor de jury's van het festival van Venetië én van de vijftigste editie van Cannes.

Het heeft dan ook iets komisch om in Austers recent verschenen autobiografie Hand to Mouth te lezen over zijn gedoemde eerste stappen in de filmwereld, eind jaren zeventig: zijn werk als ghostwriter van de acterende vrouw van een schatrijke Frans-Russische filmproducent. Het zo lucratief lijkende baantje leidt niet alleen tot een desastreus verblijf in Mexico en lijfelijke bedreigingen door schimmige halfcriminelen, maar ook tot de verzuchting: 'Dat was het einde van mijn loopbaan in de film.'

Austers korte carrière als producentenhulpje is maar één van de twaalf-ambachten-dertien-ongelukken die worden beschreven in Hand to Mouth, dat niet helemaal ten onrechte de ondertitel 'A Chronicle of Early Failure' heeft meegekregen. Gedwongen door geldnood - een logisch gevolg van het principe dat een Echte Schrijver zich niet moet laten inpakken door de burgermaatschappij - werkte Auster na zijn afstuderen in de jaren zeventig als vertaler, matroos op een olietanker, kunstcatalogusschrijver, pornograaf, manuscript-editor van Jerzy Kosinski (auteur van The Painted Bird), toneelschrijver en spelletjesbedenker. Nergens verdiende hij genoeg mee om zelfs maar te functioneren als kunstenaar-op-zwart-zaad. Het beste dat je over zijn 'nine years of freelance penury' zou kunnen zeggen, is dat hij er niet zo erg aan toe was als George Orwell in zijn beroemde en enigszins vergelijkbare nonfictieboek Down and Out in Paris and London (1933).

Toeval en willekeur

'Zoals in het echte leven is veel in mijn boeken een kwestie van toeval en willekeur', zei Paul Auster drie jaar geleden in een interview met het Cultureel Supplement van deze krant. Heel toepasselijk begon zijn carrière als serieus romanschrijver dan ook toen hij bij wijze van experiment een detective had geschreven en van een uitgever te horen kreeg: 'Heel goed. Schrap al dat detective-gedoe en je houdt een uitzonderlijke psychologische thriller over.' Het kan niet anders of die opmerking zette hem op het spoor van City of Glass, het eerste deel van The New York Trilogy, waarin de draak wordt gestoken met de conventies van de misdaadroman, en waarin een hoofdrol is weggelegd voor de psychologische deconfiture van de hoofdpersoon.

Deze conclusie staat overigens niet in Hand to Mouth, want Auster stopt zijn kroniek in 1980, een paar jaar voordat hij zou debuteren met het experimentele (en ook als speurdersroman opgezette) boek over zijn vader, The Invention of Solitude. Als Appendix 3 bij Hand to Mouth is wel de commercieel geflopte detective opgenomen die Auster onder het pseudoniem Paul Benjamin begin jaren tachtig publiceerde. Squeeze Play is een goed geschreven private-eye-roman over de moord op een beroemde ex-honkballer die wordt opgelost door een net iets te vlot gebekte joodse privédetective ('the last of the hard-boiled Yids'). Afgezien van de flauwe clou, zou je eigenlijk niet begrijpen waarom Auster de roman in een bescheiden lettertje aan zijn 120 bladzijden tellende 'kroniek van vroeg falen' heeft toegevoegd.

Toneelstukken

Austers pak van Sjaalman bevat nog twee andere appendices: een zelfontworpen (en nooit in productie genomen) kaartspel waarmee je honkbalwedstrijden kunt spelen op je keukentafel, en een serie van drie toneelstukken die met een minimum aan succes werden opgevoerd in de tweede helft van de jaren zeventig. De van absurdisme en non-communicatie vervulde eenakters vertonen wel erg sterk de invloed van Beckett en Pinter, maar zijn interessant als voorafschaduwingen van Austers latere werk. Het is niet moeilijk om de overeenkomsten te zien tussen de 'murenbouwers' uit Laurel and Hardy Go to Heaven (1977) en de tragikomische hoofdpersonen van The Music of Chance (1990), die na een verloren potje poker gedwongen worden om een muur te metselen op een verlaten landgoed. En het uit 1976 daterende Blackouts, waarin de heren Black, Blue en Green een mysterieus rollenspel uitvoeren op een detectivekantoor, is zelfs overduidelijk een voorstudie van het tweede deel van The New York Trilogy.

Je komt in Hand to Mouth wel meer bekends tegen. Behalve een anekdotisch verslag van de vele manieren waarop Auster in de jaren zeventig aan zijn geld kwam, is de autobiografische schets ook een parade van intrigerende (jammer genoeg te snel voorbijgaande) mensen die zijn pad kruisten. En zo maken we onder anderen kennis met een man die - zoals Marco Stanley Fogg in Moon Palace (1989) - van de ene dag op de andere zwerver wordt, en met een aan lager wal geraakte schrijver die door zijn ludieke verzet tegen het Systeem doet denken aan de 'speelgoedterrorist' uit Leviathan (1992).

De fans zullen niet teleurgesteld worden door Hand to Mouth, dat zoals Austers andere boeken glashelder en met veel humor gestileerd is. Maar anders dan The Invention of Solitude gaat de autobiografie niet erg diep, en blijken de aan elkaar geschreven anekdotes niet echt te beklijven. Wie streng is, en eerlijk, beschouwt Hand to Mouth als een amusant zoethoudertje voor de grote roman van Auster die voor volgend jaar op stapel schijnt te staan.