Schatkamers vol wijsheid en wijn; Klassieke Perzische literatuur vertaald

Edward FitzGerald: Rubáiyát van Omar Khayyám. Vertaald door W. Blok. Ambo, 105 blz. ƒ 49,50 (geb.)

Saadi: De rozentuin. Vertaald door J.T.P. de Bruijn. Bulaaq/Van Halewyck, 271 blz. ƒ 64,50 (geb.)

In 1859 verscheen bij een kleine Londense drukker een boekje met vijfenzeventig kwatrijnen: Rubáiyat of Omar Khayyám, The Astronomer-Poet of Persia. De vertaler was anoniem; pas in de vijfde, postume editie werd Edward FitzGerald (1809-1883) als bewerker vermeld. In literaire kringen golden zijn Perzische kwatrijnen echter al jarenlang als 'geheimtip'.

FitzGerald had zijn kennis van het werk van de astronoom, kalenderhervormer en korankenner Omar Khayyám (overleden tussen 1123 en 1132) te danken aan zijn hooggeleerde vriend Cowell, die de 'rubáiyát' voor hem had overgeschreven uit twee middeleeuwse manuscripten. De authenticiteit van die manuscripten is later in twijfel getrokken; Khayyám heeft zijn verzen immers nooit zelf opgeschreven, en de manuscripten dateren van enkele eeuwen na zijn dood. Voor FitzGerald had dit echter weinig uitgemaakt. De manier waarop hij de Perzische teksten bewerkte, getuigt van een wel zeer ruime opvatting van tekstgetrouwheid.

In de onlangs verschenen tweetalige editie van de Rubáiyát is de Nederlandse vertaler W. Blok glashelder over de verschillen tussen Khayyáms verzen en hun Engelse bewerking. FitzGerald ging nogal losjes te werk. Hij stelde elk van zijn kwatrijnen samen uit verschillende teksten van Khayyám en nam er zelfs regels van andere dichters in op. 'Het zijn dus composietteksten', schrijft Blok. Bovendien bracht FitzGerald zo nu en dan persoonlijke accenten aan, die niet bij Khayyám zijn terug te vinden. Desondanks zou de geest van Omars werk in zijn bewerking overeind zijn gebleven.

De geest misschien wel, maar FitzGeralds hoogst poëtische kwatrijnen wijken qua toonzetting wel erg af van de 'rubáiyát' zoals de inleiding bij Bloks vertalingen ze typeert. In die inleiding vergelijkt de Khayyám-kenner Johan van Schagen de oorspronkelijke 'rubai' met de limerick. Een rubai was immer niet als kunstwerk bedoeld; het was veeleer een spotvers, een plaagstoot, een liefdesontboezeming of wijnlied. Zo'n versje liet zich makkelijk zingen en was ook makkelijk te onthouden, zodat je het elders als eigen vondst te berde kon brengen.

In ons land is de bekendheid van de Rubáiyát mede te danken aan de 'Oosterse' gedichten van J.H. Leopold, die daarvoor niet uit FitzGerald putte maar uit andere vertalingen. Het is verleidelijk om zijn versies met die van Fitzgerald te vergelijken - zoals kwatrijn XLV in Bloks vertaling en Leopolds kwatrijn 28 'Uit de Rubaijat'. Bij Blok is dat: Voor Sultan ziel is 't maar een ééndags-tent, op doortocht naar een land hem onbekend; hij gaat; de donkere Ferrásh breekt op; een nieuwe gast betrekt het kampement.

Khayyám betekent tentmaker, meldt Blok in zijn 'Aantekeningen'. En een 'ferrásh' is een bediende die de tenten opzet en afbreekt. 'In dit geval,' volgens Blok, 'een symbool van de dood.'

Ik weet niet of Leopold het oorspronkelijke Perzische kwatrijn getrouwer heeft weergegeven dan Blok, maar het is opmerkelijk dat zowel de tentmaker als de dood in zijn gedicht zelf figureren: Tentmaker, zie, uw lichaam is een tent, den Sultan ziel tot een kort logement. De vorst vertrekt; straks vouwt het linnen op de dood en geen, die nog de standplaats kent.

Uit Van Schagens inleiding blijkt dat Fitzgerald niet alleen aan de teksten heeft gemorreld, maar ook aan de opvatting dat Khayyám een mysticus was. Bij hem is de Perzische dichter een levensgenieter geworden, met een voorkeur voor liefde en wijn. En met soms rebelse trekjes, die het al te sacrale in het leven relativeren; zoals in kwatrijn XXVII: Als jongeman zocht ik graag overleg met wijze en heilige: elk had zijn zeg in 't groot dispuut. Maar door dezelfde deur als ik gekomen was, ging ik weer weg.

Het is Bloks verdienste dat zijn vertalingen vooral dit element van de Rubáiyát beklemtonen. Zijn keuze voor een zo alledaags mogelijk Nederlands brengt het verheven poëtische streven van FitzGerald terug tot een aardse formulering die beter in onze tijd past, en misschien ook beter aansluit bij de Perzische poetica omstreeks 1100.

Leopold herdichtte ook verzen van Saadi, een Perzische hoveling, mysticus en schrijver die leefde van ca. 1212 tot 1295. Hoe dicht die bewerkingen qua opvatting bij FitzGeralds aanpak van de Rubáiyát staan, wordt duidelijk nu een complete vertaling van De rozentuin van Saadi verschenen is. Ik zag met pronk en kostbaarheden en een hooghartig oogopslaan een pauwenveer in den quoraan; dichtte Leopold, en vervolgens had hij nog tweeëntwintig regels nodig om onder woorden te brengen wat Saadi, getuige de nieuwe vertaling van J.T.P. de Bruijn, in zes regels formuleerde als: Een schoonheid wordt steeds met ontzag ontvangen, ook als zij door haar ouders werd verjaagd. Ik vroeg de pauwenveer die uit een koran stak: 'Wordt niet de eer van het Boek door jou belaagd?' Het antwoord was: 'Zwijg! Nergens weigert men de toegang aan haar die de Schoonheid draagt.'

Bij Saadi biedt dit soort puntdichten steeds commentaar op een prozatekst over morele waarden uit het politieke, religieuze en persoonlijke leven in het dertiende-eeuwse Perzië. Saadi bezag de wereld als een derwisj, een ascetische bedelmonnik. Zowel aan de machtigen en rijken als aan de mystici en godgeleerden wilde hij goede raad geven en kritiek leveren op wat hij waarnam aan egoïsme en onderdrukking. Maar, aldus De Bruijn in zijn nawoord, 'ondanks de didactische intenties van Saadi kan er geen twijfel over bestaan dat De rozentuin ook is geschreven om de lezer aangenaam bezig te houden met geestige vertellingen, aforismen en puntige verzen.'

Daarmee is geen woord te veel gezegd. De rozentuin is een verbluffende schatplaats vol anekdoten en wijsheden. De Bruijn verontschuldigt zich omdat de charme van Saadi's stijl in geen vertaling echt tot zijn recht kan komen. Dat is vast waar, maar zijn vertaling heeft in alle, ongetwijfeld moeizaam bereikte eenvoud een eigen flonkering.

De rozentuin is ook geen werk dat in één adem gelezen moet worden. Het is een boek voor het nachtkastje, waarvan de tekst avond na avond moet worden gesavoureerd.

Het is ook een boek dat verleidt tot veelvuldig citeren. De nuchtere wijsheid van Saadi is immers even toepasbaar op onze tijd als op de zijne. 'Alles wat snel opkomt, blijft niet lang,' stelt hij en dicht dan: In veertig jaar wordt oosterse aarde gekneed tot één Chinese schaal; in Mardasjt maakt men er honderd per dag. De waarde blijkt als ik ervoor betaal.

Even universeel is zijn anekdote over de voor-islamitische fabeldichter Lokmaan. Hem werd gevraagd waar hij zijn beschaafde manieren had opgedaan. Hij antwoordde: 'Bij de onbeschaafden. Alles wat mij in hen tegenstond, heb ik nagelaten.' Bij Saadi is zo'n raillerende repliek de aanleiding voor een dubbelhartig commentaar: Zelfs van de woorden die men spreekt in scherts kan een verstandig mens nog wel iets leren. Een lang betoog vol ernstige gedachten, kunnen de dommen slechts als scherts waarderen.

De rozentuin, in 1258 geschreven, geldt als het eerste literaire werk dat uit Perzië naar Europa kwam. Al in 1654 publiceerde de Amsterdamse boekhandelaar Jan van Duisberg een Nederlandse vertaling, naar het Duits van Adam Olearius. Vierendertig jaar later verscheen ook een Nederlandse editie van Saadi's andere meesterwerk, De boomgaard. Maar het was toch bovenal De rozentuin die in literair Europa bewondering oogstte.

In ons land werd Saadi's erfgoed vooral door Bilderdijk (in een gekerstende versie!) en Leopold verbreid. Maar hun bewerking betrof niet meer dan fragmenten en was bovendien gebaseerd op eerdere vertalingen.

J.T.P. de Bruijn wijdde zich een paar jaar lang aan de complete vertaling van Saadi's oorspronkelijke tekst, en dat waagstuk lijkt geslaagd. In nuchter Nederlands, maar met poëtische precisie, biedt De rozentuin voor het eerst volledig zicht op dit hoogtepunt uit de Perzische literatuur.

Dat de uitgever zijn liefde voor dit boek door Marjo Starink in een even handzame als perfecte vormgeving liet uitdrukken, maakt het extra begeerlijk.