Rijk maar bescheiden

Deirdre N. McCloskey: De zondeval der economen. Amsterdam University Press, 160 blz. ƒ 29,50

Donald Nansen McCloskey creëerde in de jaren tachtig met The rhetoric of economics een eigen vakgebied. Hij was de eerste die het economen-debat aan een retorische analyse heeft onderworpen. McCloskey bestreed de gedachte dat de economie een exacte wetenschap is naar natuurwetenschappelijk model. De doorsnee-econoom doet alsof hij objectief en waardevrij opereert, terwijl juist in de economie de kunst van het overtuigen zo'n grote rol speelt.

McCloskey houdt van het debat. Hij is een meeslepend schrijver die put uit literatuur, geschiedenis, ethiek, linguïstiek en poëzie. Als een sofist van de twintigste eeuw probeert McCloskey de maatschappelijke discussie te voeden. Sinds twee jaar neemt Donald McCloskey als zodanig niet meer deel aan het discours. Na een transseksuele operatie wordt die plaats nu ingenomen door Deirdre Nansen McCloskey.

Vorig jaar bekleedde ze de Tinbergen-leerstoel aan de Erasmus-universiteit. Tijdens haar verblijf schreef McCloskey het boek De zondeval der economen; over wetenschappelijke zonden en burgerlijke deugden. Ze put daarbij uitvoerig uit eerder werk, zoals The rhetoric of economics (1985), If you're so smart: the narrative of economic expertise (1990) en Knowledge and persuasion (1994).

Ook in De zondeval der economen kiest McCloskey voor de provocatie om te pleiten voor een herijking van de economische wetenschap. 'De koningin van de sociale wetenschappen is de laatste vijftig jaar verworden tot een zandbakspelletje.'

Drie zonden hebben de afgelopen halve eeuw deze val veroorzaakt: slechte econometrie, slechte theorie en slechte toepassing op het beleid. De oorsprong van de zondeval is het werk van drie economen uit de jaren veertig: de Amerikanen Lawrence Klein en Paul Samuelson en de Nederlander Jan Tinbergen. Briljante economen, want ze kregen de Nobelprijs voor de economie in het twaalfde, het tweede en het eerste jaar waarin deze werd uitgereikt. Maar ze hebben volgens McCloskey van de economie een spel gemaakt, los van de echte wereld.

Klein introduceerde het begrip 'statistische significantie' in de economie. Gecompliceerde statistische berekeningen kwamen in de plaats van het menselijk oordeel. De computer ging vervolgens volgens McCloskey bepalen of een stijging van het werkloosheidspercentage van zes naar zeven acceptabel is. Samuelsons zandtaartjes zijn gemaakt in de ivoren toren van de studeerkamer. En Tinbergen maakte het volgens McCloskey helemaal bont door de ideeën van Klein en Samuelson te combineren tot het idee dat je de maatschappij kunt sturen en bouwen net als de aanleg van een brug. Helaas, het werkt niet, het kan niet werken en het behoort niet te werken, meent McCloskey. Economie is een wetenschap van waarneming, net zoals astronomie, evolutionaire biologie of geschiedenis.

McCloskey is geboren in Ann Arbor (Michigan) in 1942. Na een economie-studie aan Harvard, doceerde hij aan de universiteit van Chicago en in 1980 werd hij hoogleraar aan de universiteit van Iowa. Het gedachtegoed van 'Chicago' en vooral van de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming, Nobelprijs-winnaar Milton Friedman, is McCloskey trouw gebleven. Chicago-economen willen alles overlaten aan het marktmechanisme. De verkruimeling van de sovjet-economie beschouwen ze als de bevestiging van hun gedachtegoed: de overwinning van het liberalisme. Maar een parade van politici, economen, ondernemers en intellectuelen maakt zich - ieder met eigen argumenten - op dit moment zorgen over de samenleving waarin het marktmechanisme en het liberalisme domineren. De samenleving verkilt en desintegratie dreigt. De 'verontrusten' zoeken naar een nieuwe balans tussen staat en markt, naar een evenwicht tussen individualisering en gemeenschapszin, tussen eigen en algemeen belang.

Tot die groep behoort McCloskey nu. Ze vindt dat de economie moet terugkeren naar de intellectuele en morele deugden die David Hume (1711-1776) en Adam Smith (1723-1790) predikten. Sociale cohesie en solidariteit moeten weer een plaats krijgen in de economische wetenschap. Over McCloskey's ideeën over een nieuwe, bescheiden en burgerlijke economie wordt met de nodige scepsis gediscussieerd, maar zij zelf wordt niet moe te herhalen dat het in essentie neerkomt op een reveil van de Schotse Verlichting. The wealth of nations (1776) van Adam Smith is, in tegenstelling tot de communis opinio, geen pure lofprijzing en verdediging van de krachten van de vrije markt. Het verlicht nastreven van eigenbelang beschouwde Smith als de drijvende kracht van een succesvolle economie. Maar de staat moet macht naar zich toe trekken om het morele kader te ondersteunen. In The theory of moral sentiments (1759) plaatst Smith het streven naar eigenbelang in het licht van het algemeen belang. De 'natuurlijke sympathie' van de mens voor de medemens beschouwt hij als de basis van alle morele gevoelens. McCloskey: 'Adam Smith zag de neiging tot zelfbeheersing niet als uiting van utilitarisme, maar als iets natuurlijks. Zelfbeheersing ontstaat in een systeem waarin mensen hun eigenbelang nastreven gewoon wegens de praktische waarde van een dergelijke inperking. Het leven zou ondraaglijk zijn als iedereen zou frauderen, plunderen en moorden.'

De Zondeval is een pleidooi voor een bescheidenheid. 'De sociale technocraten spelen met gemeenschapsgeld en niet met hun eigen geld. Blijf om deze redenen van onkunde en onvermogen van de stuurknoppen af. Wees bescheiden.' Een prikkelende oproep op het moment dat economen van verschillende politieke signatuur sleutelen aan de verkiezingsprogramma's.