Niet boos

“Je bent boos.”

“Ik ben niet boos.”

“Je bent wel boos.”

“Nee hoor, ik ben helemaal niet boos.”

“Jawel, jawel, je bent wel boos, je bent heel boos!”

“Ik ben in de verste verte niet boos!”

“Jawel, ik zie het. O kijk eens!”

“Je ziet niets!”

“Ik zie dat je boos bent. Ik zie het!”

“Dat kan je niet zien!”

“Maar ik zie het toch, ik zie het! O wat ben jij boos! Je bent vast nog nooit zo boos geweest! O kever!”

Ze hadden een klein kopje thee gedronken, de kameleon en de kever. Ze hadden ook een klein, maar gezellig gesprek gevoerd. Tot de kameleon plotseling tegen de kever had gezegd: “Je bent boos.”

Even later was de kameleon vertrokken. Buiten had hij zich omgedraaid en geroepen: “O wat ben jíEÉj boos, kever!”

“Ik ben niet boos!”, had de kever gegild. Hij had zijn deur met een harde klap dichtgetrokken.

Veel dieren hadden alles gehoord. Met zijn oor tegen zijn deur, in zijn schemerige kamer, hoorde de kever ze zeggen, als ze langs zijn huis liepen: “De kever is boos. Heb je het al gehoord?”

“Ach, het is toch niet waar...”

'Ja. Hij is woedend. Hij heeft al zijn meubels stukgeslagen.''

'O ja?''

“Razend is hij. Niet meer tot bedaren te brengen.”

“Nee?”

“Nee. En weet je wat hij in zijn woede doet?”

“Nee.”

“Hij eet zichzelf op!”

“Zichzelf?”

“Ja. Zijn voelsprieten en zo. Zijn neus.”

“Ach... ach... Zijn neus... Waar is hij eigenlijk boos over?”

“Ja, dát is nu juist een raadsel.”

“Een raadsel?”

“Ja.”

“Je bedoelt: een raadsel met een oplossing?”

“Ja, zo'n raadsel. Of misschien een zonder oplossing. Dat weet ik niet.”

“Zo zo.”

Het was een warme dag in het midden van de zomer. Maar de kever stapte in zijn bed en trok de dekens over zich heen. Ik ben helemaal niet boos, dacht hij. Hij trilde en gloeide en kneep zijn ogen stijf dicht.

Er werd op zijn deur geklopt. Stemmen vroegen of het waar was dat hij verschrikkelijk boos was, en er nu heel eigenaardig uitzag. Ze wilden ook weten of hij al zijn meubels echt kapot had geslagen. Zijn kast ook, en zijn bed? Ze vroegen of zijn voelsprieten al op waren, en hoe zijn neus had gesmaakt, en of hij nog meer van zichzelf ging opeten, en of ze daarbij mochten zijn. Ze vroegen ook of hij al een oplossing wist voor zijn raadsel, en of hij soms wilde dat ze hem hielpen nadenken.

De kever stopte zijn poten in zijn oren en rolde zich op, zodat hij aan het voeteneind van zijn bed kwam te liggen, onder al zijn dekens.

Ik kook, dacht hij. Maar ik ben niet boos. Dát ben ik niet!