Nederlandse techniek in de koloniën; Indië als brug naar de toekomst

Margaret Leijdelmeijer: Van suikermolen tot grootbedrijf. Technische vernieuwing in de Java-suikerindustrie in de negentiende eeuw. NEHA-series III, 367 blz. ƒ 52,50

Wim Ravesteijn: De zegenrijke heren der wateren. Irrigatie en staat op Java, 1832-1942. Delft University Press, 409 blz. ƒ 95,-

Een monument voor de beoefening van techniekgeschiedenis in Nederland, zo kan de zesdelige serie De geschiedenis van de techniek in Nederland beschouwd worden. Dit overzichtswerk behandelt een groot aantal sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven in de negentiende eeuw. De koloniën komen daarin slechts zijdelings, als onderdeel van het economisch bestel, aan de orde; aan specifiek koloniale sectoren van industrie en landbouw wordt geen afzonderlijke aandacht besteed. Toch is 'de wording van een moderne samenleving 1800-1890', zoals de ondertitel van deze serie luidt, in het Nederlandse geval voor een belangrijk deel te danken aan de exploitatie van de koloniën, in het bijzonder van Indië. De Twentse textielindustrie, de scheepsbouw en scheepvaart: Indië was een wezenlijke voorwaarde voor hun bloei. Het spoorwegnet, het Noordzeekanaal, de Nieuwe Waterweg, grootschalige projecten die bij uitstek de modernisering van Nederland markeren, kwamen tot stand dankzij Indische baten. Zonder Indië - zo stelde de Utrechtse hoogleraar F.C. Gerretson in de jaren dertig - zou Nederland niet meer zijn dan een boerderij aan de Noordzee.

Dit soort retoriek mag doeltreffend zijn om het belang van de kolonie voor het moederland kracht bij te zetten, het zegt weinig over de wijze waarop gestalte werd gegeven aan de Nederlandse aanwezigheid in Indië. In De laatste eeuw van Indië uit 1993 heeft J.A.A. van Doorn op uitdagende wijze inhoud gegeven aan die aanwezigheid door haar te beschrijven als koloniaal project. Twee onlangs verschenen proefschriften over koloniale techniekgeschiedenis brengen onderdelen van dit 'project' in kaart. Beide studies geven een beeld van het door Van Doorn gesignaleerde 'uitgesproken activisme en interventionisme van Nederland als kolonisator'.

Van de hand van Margaret Leidelmeijer verscheen Van Suikermolen tot grootbedrijf. Leidelmeijer, die zich niet-westers socioloog noemt, onderzocht technische ontwikkelingen in de suikerindustrie op Java in de negentiende eeuw.Tot nu toe, stelt Leidelmeijer, is de suikerindustrie op Java vooral onderzocht vanuit een sociaal-economische invalshoek. De techniek, de hardware van de suikerverwerking wordt hier beschouwd als een 'black box', waarvan de inhoud onbesproken blijft. Leidelmeijer gaat een beschrijving van de gebruikte techniek niet uit de weg. De werkvloer van de suikerfabriek op Java krijgt zo concreet vorm. Van suikermolen tot grootbedrijf gaat over de transformatie van een ambachtelijk Chinees productieproces naar een op westerse leest geschoeide industriële productiewijze. Er wordt ingegaan op de introductie en diffusie van moderne technologieën die dit proces markeren.

Een verdienste van deze studie is de correctie die Leidelmeijer aanbrengt op het beeld dat in de historiografie bestaat van het cultuurstelsel. Dit systeem (de gedwongen teelt van bepaalde exportgewassen voor de Europese markt onder strikt toezicht van het gouvernement) zou geleid hebben tot verstarring. Door de afwezigheid van particuliere ondernemers en buitenlandse concurrentie bleven impulsen tot verandering, inclusief de toepassing van technische innovaties in het productieproces, achterwege. Leidelmeijer toont overtuigend aan dat ten aanzien van de suikerindustrie vanaf de invoering van het cultuurstelsel in de jaren 1830 wel degelijk sprake was van een actief, op productieverhoging gericht technologiebeleid van de koloniale overheid.

Aanvankelijk lag het initiatief vooral bij het gouvernement in Indië. Daarbij vormden suikercontracten een belangrijk instrument. Deze van overheidswege aan ondernemers verstrekte contracten stelden het gouvernement in staat de introductie van bepaalde technische innovaties af te dwingen. Daarnaast werd kapitaal voorgeschoten ter financiering van het kostbare mechanisatieproces van suikerfabrieken.

Leidelmeijers schets van het technologiebeleid na 1840 maakt verder duidelijk dat de koloniale overheid twee niveaus kende: het ministerie van Koloniën in Den Haag en het gouvernement in Batavia. Vanuit het ministerie werd in de jaren veertig nadrukkelijk initiatief genomen tot kwaliteitsverbetering en efficiëntere productie van de Java-suiker. De opkomst van de concurrerende bietsuikerindustrie in Europa zorgde ervoor dat het ministerie zich genoodzaakt voelde de vinger steviger aan de pols te houden van de laatste technologische ontwikkelingen.

Het zwaartepunt van de formulering van het technologiebeleid verschoof na 1840 steeds meer naar het moederland. In de discussies die de introductie van technische innovaties in de jaren veertig en vijftig begeleidde, tekent zich een toenemende controverse af tussen gouvernement en ministerie. Het ministerie stond een ideaalbeeld voor ogen van een bedrijfstak waarin gebruik zou worden gemaakt van de modernste technieken. Daarbij baseerde het zich op resultaten uit wetenschappelijk onderzoek. Het gouvernement in Indië schuwde eerder de radicale breuk met de bestaande technologie en richtte zich minder op de lange termijn. Niet het laboratorium maar de praktijk van de werkvloer was haar proefgebied.

Dat de modernisering van de Java-suikerindustrie gepaard ging met vallen en opstaan illustreert het geval van de suikercontractant Theodoor Lucassen uit het begin van de jaren veertig van de vorige eeuw. Minister van Koloniën J.C. Baud zag in deze oud-militair de geschikte persoon om enkele in de bietsuikerindustrie beproefde vindingen op Java te introduceren. Lucassens beoogde rol was die van vooruitgeschoven pion in het technologiebeleid van het ministerie. De uitvoering van deze weloverwogen missie bleek echter niet zo eenvoudig. Al spoedig nadat Lucassen - vergezeld door een team van technici, nodig voor de inrichting van zijn nieuwe fabriek - uit Patria was vertrokken, bleek zijn schip onvoldoende zeewaardig. De reis moest in het Engelse Portsmouth worden gestaakt. Pas enkele maanden later werd de tocht hervat met een nieuw schip, dat op zijn beurt in de Indische wateren op een rif voer. Zo strandde Lucassens technologiemissie: de machines voor zijn fabriek vielen ten prooi aan plundering door de plaatselijke bevolking. Lucassens project zou overigens enkele jaren later dankzij de nodige financiële bijstand van het ministerie alsnog van de grond komen. Toch is het de aanvankelijke mislukking die zo'n geschiedenis meerwaarde geeft. Het op het eerste gezicht lineaire proces van modernisering krijgt pas vorm wanneer er eveneens aandacht is voor de debacles waarlangs dat proces zich voltrekt.

In De zegenrijke heeren der wateren, een proefschrift over de totstandkoming van moderne irrigatie op Java in de periode 1832-1942, besteedt de cultureel antropoloog Wim Ravesteijn eveneens aandacht aan zo'n debacle, nu van grotere orde. De Solo-valleiwerken waren in opzet een kolossaal irrigatieproject met ingewikkelde en gedurfde kunstwerken. In 1898 - vijf jaar na de aanvang - werd het project door de minister van Koloniën met het oog op de te verwachten budgetoverschrijding stopgezet. Het fiasco van de Solo-valleiwerken was een stevige domper op de hooggespannen verwachtingen van de ingenieurs. Het deed - volgens Ravesteijn - 'de grond onder hun voeten wegzinken. Hun onvermogen dit project tot een goed eind te brengen schokte hun zelfvertrouwen'.

Het echec van de Solowerken vormde uiteindelijk echter geen onoverkomelijk obstakel. De ethische koers, die vanaf ongeveer 1900 de Indische politiek ging bepalen, was gericht op ontwikkeling van land en volk naar westers model. 'Emigratie, irrigatie, educatie' was een strijdkreet die deze koers begeleidde: de irrigatie-ingenieur was verzekerd van een belangrijk aandeel in de tenuitvoerbrenging van dit welvaartsprogramma.

Die weerslag van de koloniale politiek op het optreden van de ingenieurs, maar ook de mate waarin deze technici in staat waren een stempel te drukken op het koloniale project, vormt het centrale thema aan de hand waarvan Ravesteijn de modernisering van de Javaanse irrigatie-infrastructuur beschrijft. Enthousiasme valt hem daarbij niet te ontzeggen; in het voorwoord boekstaaft Ravesteijn zijn onderzoek zelfs als 'het leukste onderwerp waar ik ooit mee bezig ben geweest'. Het was hoffelijker geweest wanneer de auteur meer moeite had gedaan het de lezers van zijn boek wat meer naar de zin te maken. Zij moeten het nu doen met Ravesteijns gemakzucht ('Begrip van de kant van de bevolking was anno 1925 geen overbodige luxe.'), enkele van zijn literaire probeersels ('hun bedrijvigheid stond haaks op de verzengende hitte') en verder een over de hele linie stilistisch onbeholpen betoog, dat het lezen van De zegenrijke heeren der wateren tot een onplezierige bezigheid maakt.