Margaret Mead: Coming of Age in Samoa, 1928

Margaret Mead: Coming of Age in Samoa, William Morrow, 1971 ƒ 34,50 (pbk)

Samoa, 14 graden ZB en 170 graden WL, zou de geschiedenis nooit gehaald hebben als in de jaren twintig niet een Amerikaanse antropologe de lotgevallen van zestig jonge meisjes op die archipel in de Pacific had gepubliceerd. Erop uitgestuurd door een onderzoeksinstelling die wilde weten of de puberteitstrammelant die de Amerikaanse huishoudens op stelten zette een universeel verschijnsel was, maakte Margaret Mead (1901-1978) haar opwachting op een eilandje waar het Westen alleen vertegenwoordigd werd door een Amerikaanse marinebasis en de christelijke zending. Nu hadden die vereende krachten eerder in de Stille Zuidzee laten zien dat ze heel goed een inlandse beschaving naar de knoppen konden helpen, bijvoorbeeld op Hawaï, maar in Samoa waren ze met een terughoudendheid opgetreden die de oude gewoonten had gespaard. Beweerde althans Mead in haar verslag.

Negen maanden bracht ze door in Samoa, en het boek dat drie jaar later verscheen was Coming of Age in Samoa. A Psychological study of Primitive Youth for Western Civilization, de eerste bestseller van haar hand die de volkenkunde populair maakte. De beginregels demonstreren Meads vermogen om met een rake schets de aandacht van de lezer te trekken: 'Als de dageraad zich vertoont boven zacht-bruine daken en slanke palmen zich aftekenen tegen een effen glanzende zee, haasten minnaars zich van de afspraakjes onder de palmen of bij de op het strand getrokken kano's terug naar huis, zodat het licht iedereen op zijn eigen plek zal aantreffen.'

Romance in het paradijs. Hier sprak een Gauguin onder geleerden, die de mensen maar verveelden met eindeloos bekvechten over de vraag of de beschaving het resultaat is van een interne ontwikkeling (evolutionisten), danwel het product van onderlinge ontlening (diffusionisten). De jonge Amerikaanse raakte met haar levendige beschrijvingen van indolente of extatische inboorlingen een snaar die tegelijk huiselijk en exotisch klonk. De Samoanen, de Arapesh op Nieuw-Guinea en de Balinezen, drie van de zeven volkeren onder wie Mead tijdens haar leven onderzoek heeft gedaan, bleken allemaal óók een oplossing te moeten zoeken voor kwesties als een eerste menstruatie, overspel, driftige kinderen, en het onzekere vaderschap. In haar boeken verstond de antropologe de kunst om de lezer naar streken te voeren waar alles anders was, en waar het toch sterk leek op het eigen bestaan. Ook al zou men de wetenschappelijke waarde van haar werk aanvechten - en er is reden dat te doen - dan nog zal men nog Meads bijdrage aan een besef van universele menselijkheid moeten erkennen.

Als zoveel jonge meisjes, hadden ook die op Samoa het bijvoorbeeld niet makkelijk. Van jongs af hadden ze de zorg voor hun kleine broertjes en zusjes. Mead beschrijft komisch hoe de jonge oppassen blijven snauwen 'hou je mond' en 'zit stil', ook als alles allang rustig is. Terwijl de jongetjes over het eiland zwerven en op het rif vissen, zijn de meisjes veroordeeld tot toezicht houden. Maar rond hun dertiende hebben de meesten wel een jonger zusje of nichtje weten te strikken voor die taak, en daarna begint een avontuur met de jongens dat eerst alleen spel is, maar al gauw een seksuele intrige wordt. Overigens generen jongens noch meisjes zich voor homoseksuele escapades. Zonder noemenswaardige tegenwerking van hun ouders slagen de meisjes erin het huwelijk lange tijd uit te stellen, en te profiteren van een situatie waarin zíj de gunsten verlenen en jongens daar vrolijk om wedijveren.

De pubers van Samoa gingen niet gebukt onder zwaarmoedige gedachten, vertoonden geen teruggetrokken of lastig gedrag, en de Samoanen leken in het latere leven minder te lijden onder de perversieën, neuroses en frustraties die het Westen zo plaagden. Dat begrip van 'beschavingsziekten' ontleende Mead aan de psychoanalyse, de antropologe deelde Freuds zorgen over het westerse onbehagen in de cultuur. Meads conclusie dat de adolescentie niet met zoveel complicaties gepaard hoefde te gaan, als het ouderlijk gezag in het Westen maar wat inbond en de seksualiteit luchtiger opnam, was koren op de molen van hervormingsgezinde geesten. Haar populariteit dankte die voorstelling niet zozeer aan een nobele als wel aan een geile wilde. De nogal vlakke persoonlijkheid die de Samoanen volgens Mead aan hun faciele levenswijze overhielden zouden vele gekwelde westerlingen graag voor lief nemen.

De overtuiging dat het verhaal van vreemde volken een parabel vormt voor onze beschaving heeft Mead nooit verlaten, en in 1949 vatte zij in Male and Female haar bevindingen samen in een uitvoerige vergelijking van de sekse-rollen in 'haar' Zuidzee-maatschappijen en de Amerikaanse samenleving. Meads publiek was toen al op de hoogte van haar sensationele ontdekking dat op een paar honderd vierkante kilometer in Nieuw-Guinea een stam woonde waarvan mannen en vrouwen gelijkelijk een vrouwelijk temperament aan de dag legden, een eindje verder een groep koppensnellers van wie de vrouwen even agressief waren als de mannen, en een derde stam die de rollen had omgedraaid, zodat de vrouwen uit vissen gingen terwijl de mannen zaten te ruziën over wat ze die avond op het feest zouden dragen. In 1935 had ze daar in Sex and Temperament in Three Primitive Societies melding van gemaakt.

Maar kritiek op de Amerikaanse levensstijl vormde in Male and Female de hoofdmoot. Opstandigheid tegen de mannenheerschappij was maar één pijl op haar boog, en nog in 1972 zou Mead in een interview met Bibeb de zogenaamd traditionele rol van de vrouw verdedigen met uitspraken als: 'Een kind krijgen is een goed stuk werk verrichten'. De antiseptische zuigelingenzorg kreeg er ook van langs, en de schrijfster hekelde de Amerikaanse neiging om natuurlijke functies als zogen, poepen en plassen, friemelen en vrijen zo discreet en hygiënisch mogelijk te verrichten. Eerder dan de cultuurfilosofen Harvey Cox (1965) en Christopher Lasch (1978) viel ze het berekenende karakter aan van zulke Amerikaanse praktijken als dating en petting. Ten onrechte had volgens haar het streven naar succes zich in de vrijages genesteld. Voor de vrouwen betekende succes 'beheersing', voor de mannen 'zover gaan als ze je laat'. Mead meende dat de show wie er het geliefdste en het stoerste was tijdens de adolescentie, tot kille huwelijken leidde, en de prestatiedwang in bed tot frigiditeit en impotentie. Ook nu weer diende de verslaggeving over de Zuidzee-samenlevingen om alternatieven te tonen van omgangsvormen die in Amerika voor natuurlijk werden gehouden. En vijfentwintig jaar veldwerk had haar niet van de mening afgebracht 'dat de seksuele aanpassing van de volwassen Samoanen tot de soepelste ter wereld kan worden gerekend'.

Voor haar bewonderaars was het een grote ontgoocheling toen in 1983 de antropoloog Derek Freeman na raadpleging van de justitiële archieven op Samoa tot de ontdekking kwam dat ook in Meads dagen seksuele delicten daar lang niet zeldzaam waren. Overspel werd wel degelijk wreed gestraft en er waren ook meldingen van verkrachting: 'De Samoanen zijn gewelddadig en lijden aan maagzweren', was Freemans conclusie. Ongetwijfeld heeft Meads behoefte om de Amerikanen een lossere omgang voor te spiegelen haar parten gespeeld, is het oordeel van de antropologen van vandaag.

Net als haar tijdgenoot Somerset Maugham in zijn op Samoa gesitueerde verhaal The Pool, liet Margaret Mead de inheemsen de vermoorde onschuld spelen. Maar àlle mensen leven na de zondeval.