Machiavelli en de oudheid; Onze politieke vader

Niccol= Machiavelli: Discorsi. Gedachten over Staat en Politiek. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul van Heck. Ambo-Klassiek, 576 blz. ƒ 99,-

Livius: Zonen van Mars. De geschiedenis van Rome I-X. Vertaald door F.H. van Katwijk-Knapp, bezorgd door H.W.A. van Rooijen-Dijkman en ingeleid door H.C. Teitler. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 831 blz. ƒ 115,-

In de vroege lente van 1513 viert Rome onder luide bijval het aantreden van haar nieuwe paus Leo X met een niet eerder vertoonde optocht. Een bonte stoet paradeert als een antieke triomftocht onder bogen door en langs tableaux vivants met antieke goden en heiligen, Sybillen en oud-testamentische profeten. De pronkzucht en de macht der Caesaren lijken te herleven. En dat is ook de bedoeling. Naast de schittering, verfijnde genietingen. 'God heeft ons de tiara geschonken, dus laten we ervan genieten', vertrouwt Leo zijn broer tijdens het banket toe.

Tezelfdertijd sluipt, als een verzopen kat, Niccol= Machiavelli, vermaard secretaris, raadsheer en ambassadeur van de Florentijnse Republiek, naar zijn bezittingen op het land bij San Casciano. Hij is zojuist nog in het Bargello gefolterd, nu is hij een balling. De Republiek, onder leiding van gonfaloniere Piero Soderini, is een half jaar tevoren roemloos ten onder gegaan onder de druk van buitenlandse interventie - een interventie die heel Italië uiteindelijk tot politieke dwerg zal reduceren. Soderini's naaste medewerker Machiavelli is kort daarna in het cachot gegooid op verdenking van samenzwering tegen de teruggekeerde Medici. Door het feestelijk aantreden van Leo X, een Medici, krijgt Machiavelli amnestie. En vrije tijd.

Doel heiligt middel

Machiavelli staat in de overlevering bekend als een slecht mens. 'Het doel heiligt de middelen', iets wat hij overigens nooit zo heeft gezegd, geldt als zijn beroemdste uitspraak. Bij 'Machiavellisme' noteert Van Dale nog steeds 'sluwe of gewetenloze politiek of toeleg'.

Hoe vult zo'n kennelijk gewetenloze staatsman in gedwongen retraite zijn dagen? Machiavelli beschrijft ze aan een vriend. In de ochtenduren wat toezicht op de houthakkers en wat vogeltjesvangen, ook toen al een favoriet tijdverdrijf in Italië. Daarna lectuur op een lieflijke plek: Dante, Petrarca, Ovidius en Tibullus. Vervolgens naar de taveerne voor leuterpraat. De lunch thuis en famille. 's Middags weer naar de taveerne, voor tric-trac en discussie. Dan valt de avond en nadert het hoogtepunt. Hij trekt zijn vuile kleren uit, hult zich in een toga en gaat naar zijn studeerkamer. 'Ik treed binnen in de hoven van vroeger bij de mensen van weleer. Zij verwelkomen mij vriendelijk in hun midden, en dan voed ik mij met de enige spijs die de mijne is, de spijs waarvoor ik geboren ben. Dan durf ik het woord tot hen te richten... Vriendelijk geven zij antwoord, en dan is er vier uur lang niets dat mij hindert: ik vergeet al mijn zorgen, vrees de armoede niet, ben niet bang voor de dood; dan gaat mijn hele wezen op in hen'. Uit de Republiek der Letteren bestaat geen verbanning. Sterker nog, zijn burgerschap geeft Machiavelli inspiratie. Ook hij gaat schrijven. De plek waar je wraak neemt op de werkelijkheid heet literatuur.

Bovenstaande passage over het genot der stille lezers is memorabel. Het wordt in geen enkel boek over Machiavelli overgeslagen, ook niet in de uitstekende nieuwe vertaling van de Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio van Paul van Heck. Maar het is eveneens veelbetekenend voor de Discorsi.

De Discorsi vormen, samen met het beruchtere Il Principe (De Vorst) waaraan Machiavelli grotendeels zijn slechte naam te danken heeft, het belangrijkste én het meest invloedrijke politieke traktaat van de renaissance. Ze bestaan uit 142 essays over staat, politiek, religie en moraal. Ze zijn opgehangen aan citaten en passages uit de eerste tien boeken van Livius, één van Machiavelli's studeerkamervrienden, die recentelijk ook voorbeeldig is vertaald door Van Katwijk-Knapp. Machiavelli koppelt hen vervolgens aan zijn eigen kennis van, en ervaring in, de politiek.

Zo kan men nu lezend converseren met twee grote mannen. En wie die moeite neemt, krijgt zicht op een fascinerend verschijnsel: het ontstaan van ons moderne politieke denken.

Moderne critici buigen zich veelal over Machiavelli's invloed (van Locke en Rousseau tot de moderne manager). Dat is zonder twijfel een nobel tijdverdrijf. Ideeën als sociaal contract, consensus, Realpolitik en constitutionele monarchie worden in de Discorsi voorbereid. Ook wetenschappelijke ontwikkelingen als sociologie, antropologie en uiteraard politicologie vinden een aanzet in Machiavelli. Een recente studie (Machiavelli's Virtue van Harvey Mansfield) betitelt Machiavelli zelfs als vader en vormgever van de moderniteit. Maar Machiavelli was geen onbewogen beweger. Dankzij de reuzenarbeid van Van Heck en Van Katwijk-Knapp wordt het mogelijk de relatie van Machiavelli tot zijn voornaamste bron te zien. Dat blijkt een adembenemend avontuur. Want wat wij modern achten is, alweer, antiek.

Machiavelli kende Ab Urbe Condita van Livius, althans wat daar toen van over was, van jongs af aan. Zijn vertrouwdheid met de tekst vroeg er dus bijna om tentoongesteld te worden. Dat een politicus die machteloos terzijde staat, politieke mémoires schrijft, verbaast ook niet. Toch dringen twee vragen zich op. Waarom koos Machiavelli voor het formuleren van zijn eigen gedachten over politiek juist de vorm van een lopend commentaar op een antieke auteur? En waarom koos hij als antieke tekst de eerste decade van Livius?

Het antwoord wordt gegeven door het voorwoord bij Ab Urbe Condita. Livius meldt daarin dat de geschiedenis van voor en rond de stichting van Rome meer mythe dan feit is. Maar, zo stelt hij, dat is niet zo belangrijk. 'Laat de lezer vooral zijn aandacht richten op vragen als: hoe leefde men in die dagen, wat waren de zeden en gewoonten, met wat voor mannen en door welk beleid heeft men in vrede en oorlog het rijk gegrondvest en groot gemaakt? Hij zou ook moeten volgen hoe de moraal eerst als het ware begon af te brokkelen, vervolgens in versneld tempo ineenstortte; en dat brengt ons tot onze tijd [het eind van de burgeroorlogen en het begin van het principaat onder Augustus, DR] waarin we onze kwalen al evenmin kunnen verdragen als de geneesmiddelen. Wat de bestudering van de geschiedenis vooral zo nuttig en heilzaam maakt, is dat je alle mogelijk leerzame voorbeelden als het ware vastgelegd op een schitterend monument voor je ziet. Daaruit kun je kiezen wat je terwille van jezelf of je land wilt navolgen en wat je uit de weg wilt gaan.'

Steun

Deze passage formuleert wat men exemplarische geschiedschrijving noemt: een geschiedschrijving die, met behulp van voorbeelden, niet zozeer een betrouwbaar verslag van het verleden beoogt te zijn alswel primair een steun voor heden en toekomst. Wat Machiavelli bij zijn studeerkamerconversaties met Livius invalt, en wat hij ook met zoveel woorden in zijn eigen voorwoord schrijft, is dat zijn tijdgenoten de oudheid, in casu Livius, wel bewonderen maar niet gebruiken. Hij voelt zich door deze tekst wèl letterlijk aangesproken. Dit valt in Van Katwijks vertaling, hoe goed die verder ook is, enigszins weg door het gebruik van het onbenadrukte persoonlijk voornaamwoord 'je'. In het Latijn staat het zwaar benadrukte tu, jíj, een aantal keren herhaald en op prominente plaatsen in de zin. Machiavelli kent goed Latijn en weet wat dat betekent: de wijzende vinger van Uncle Sam. Hij heeft het tu van Livius daarom hoogst persoonlijk opgevat. Hij zal kijken en kiezen wat na te volgen en wat niet. En zich zo onderscheiden van zijn domme tijdgenoten, die de oudheid slechts lippendienst bewijzen, en de ware schat die in haar schoot verborgen ligt onberoerd laten. Dat is de springveer die de Discorsi genereert.Voor ons is het in retrospectief mogelijk een interessante parallel te trekken. In de beeldende-kunsttheorie van de vijftiende eeuw wordt herhaaldelijk gewezen op de mogelijkheid de oudheid pas écht te doen herleven door antieke beschrijvingen van - al of niet fictieve, maar in ieder geval verloren gegane - schilderijen letterlijk op te vatten als een uitnodiging om deze schilderijen, aan de hand van die beschrijvingen, opnieuw het licht te doen zien. Zo komt een aantal van de grote werken van Botticelli, Mantegna, Rafael en Titiaan tot stand. Dit 'realiseren' van een antieke tekst in het heden, is precies wat Machiavelli doet. Door Livius' lessen te koppelen aan zijn eigen politieke ervaringen en inzichten, beleeft hier de antieke stadstaat zijn renaissance.

Maar waarom staan juist de eerste tien boeken van Livius in de Discorsi centraal? Het sleutelbegrip voor een antwoord hierop is de term verso il principio: 'terug naar het begin' of, zoals Van Heck wil, 'naar de wortels'. De kracht van Rome, zo betoogt Machiavelli, is haar gemengde constitutie geweest.

Antieke politieke theorie onderscheidde drie opeenvolgende staatsvormen: monarchie, aristocratie en democratie. Antieke politieke theorie zag ook het menselijk tekort. Dat tekort zorgde ervoor dat elk van deze drie staatsvormen na verloop van tijd ging verkeren in een ongewenste pervertering van zichzelf: monarchie in tirannie, aristocratie in oligarchie en democratie in anarchie. Zo onstond een fatale cyclus, die de meeste staten uiteindelijk ten onder deed gaan.

Machiavelli haalt uit Livius dan ook twee dingen. Geen staat was ooit zo sterk als de Romeinse republiek. Dat was te danken aan de aanwezigheid van elementen van alle drie 'goede' staatsvormen: monarchale consuls, aristocratische senaat en democratische volkstribunen. Maar belangrijker nog, de Romeinse republiek werd sterk gehouden door 'nova principia': telkens in een crisis stond er iemand op die de staat weer entte op haar deugdzaam, eenvoudig en noeste begin, zo het besef van de noodzaak tot consensus deed weerkeren en nieuw ontzag voor de regels afdwong. Regels die onmisbaar zijn voor een samenleving, maar die na verloop van tijd door het menselijk tekort met een korrel zout genomen worden.

Een principium kortom, vooronderstelt een princeps (in De Vorst: de 'principe nuovo'). Machiavelli toont een heilig ontzag voor de wetgevers, voor de charismatische leiders, voor krachtige ingrijpers als Brutus, Camillus, Manlius Torquatus en Decius, die in de eerste decade zo frequent hun heilzame werk deden. En dat geeft hem gelegenheid te wijzen op het gebrek aan zulke figuren in zijn eigen Florence. Italië is ook bedorven. Machiavelli herkent dat bederf in Livius. De kwaal eist dus een krachtig geneesmiddel. Het remedium van Livius is voor Machiavelli de principe. Soderini had er zo één moeten zijn, maar hij was te slap. Machiavelli wilde hem theoretisch terzijde staan, maar werd voortijdig uitgerangeerd.

In zijn Discorsi haalt hij zijn gelijk. Daarbij hamert hij voortdurend op Liviaanse aambeelden: sociale cohesie, consensus, de noodzaak om vijanden te hebben en te vechten voor eigen land, kortom, de noodzaak steeds terug te keren naar het begin, om niet aan het eind te komen.

Machiavelli ziet zo toch nog perspectieven. Politiek-moreel verval is onontkoombaar. Maar met veel krachtdadige burgerdeugd, ingezet voor het allesbepalende algemeen belang, kan regeneratie plaats vinden. Dit geloof verbindt hem, ondanks zijn pessimistische om niet te zeggen cynische mensbeeld, met vijftiende-eeuwse filosofische optimisten als Pico della Mirandola. Het verbindt hem eveneens met Livius, die ook nog hoop zag voor een herstel van Rome ten tijde van het principaat van Augustus en de degeneratie daarvan niet meer meemaakte. Machiavelli, die in 1527 stierf, maakte de definitieve teloorgang van Italië als politieke mogendheid evenmin mee. Als hij vijftig jaar later gestorven was, zou hij waarschijnlijk geen essays over Livius maar over de sombere hofhekelaar Tacitus hebben geschreven.

Perverse logica

Al met al is het zware kost. Men zou vergeten hoe geestig Machiavelli óók is. Dit hangt samen met wat in een andere context eens 'perverse logica' is genoemd. Als de Romeinse plebs, morrend weggelopen naar de Heilige Berg, als voorwaarde voor nieuwe deelname aan de Romeinse Staat de uitlevering van de patricische Tienmannen eist om die te kunnen executeren, merkt Machiavelli op: 'Iemand om een wapen vragen is voldoende; je moet er niet bij gaan zeggen: daarmee ga ik je vermoorden. Heb je het in handen, dan kun je doen wat je wilt'.

Machiavelli laat zo zien hoe gek mensen doen. Hij redeneert tot in het absurde door. Er zijn drie soorten legers, doceert hij onder verwijzing naar voorbeelden uit Livius: a) met strijdlust én discipline; b) met strijdlust, zonder discipline en c) zonder strijdlust en zonder discipline. 'Zoals de Italiaanse legers van onze tijd: die dienen nergens toe'. Een profetisch oog. Men denke aan Mussolini's troepen, die met blinkende uniformen over de Albaanse bergen trekken om Griekenland te veroveren, maar bij het horen van het eerste musketschot in een wanordelijke retraite losbarsten, met achterlating van hun wapens om sneller te kunnen lopen.

De lezer van de Discorsi voelt bovendien waar de slechte reputatie van de auteur vandaan komt. Neem een ijzingwekkende hoofdstuktitel als Om van laag naar hoog te komen is bedrog belangrijker dan geweld. De eerste zin? 'Het gebeurt naar mijn overtuiging zelden of nooit dat iemand van een lage positie opklimt naar een hoge zonder gebruikmaking van geweld en bedrog'. Volgt een voorbeeld hoe je dit het meest besmuikt, en dus het minst opvallend, kan doen.

Wellicht dat dit boek daarom goed zal worden verkocht. Voor werknemers is het heerlijk om te lezen dat de baas een schoft is, voor de baas handig om te leren hoe hij zijn werknemers eronder kan houden. Maar vooral voor de adviseurs van de baas, de managers en de ambtenaren biedt dit boek gouden tips. Machiavelli is de eerste en de beste topambtenaar. Zelfs managers uit de sportwereld kunnen hun hart ophalen: parallellen met voetbalelftallen uit vorm liggen in de Discorsi voor het oprapen. Daaraan kan je ook zien hoe goed hij heeft gekeken. We mogen niet aannemen dat Van Gaal en andere trainers Machiavelli bestuderen. Toch horen we onophoudelijk zijn stem. 'Ken je plaats in het systeem', 'zorg voor inschuivende linies': het staat er allemaal bijna letterlijk in.

En de moraal? Machiavelli zegt nergens wat goed is, hij zegt wat effectief is. Zijn analyses zijn messcherp en bieden onnoemelijk veel actuele aanknopingspunten. Zijn cynisme is troostrijk en vriendelijk. Humaan constateert en relativeert hij. Hij beschrijft hoe de mensen zijn, niet hoe ze nooit kunnen worden. Zijn werk staat daarmee in schril contrast tot het idealistische mensbeeld dat door Rafael en de zijnen werd uitgedragen en vormgegeven. Voor ons, gedesillusioneerd door een beestachtige eeuw en grotendeels geseculariseerd, lijkt hij daardoor een verwante ziel.

Maar eigenlijk doet hij niets anders dan - uit vaderlandsliefde, intellectuele nieuwsgierigheid én wat gedwarsboomde politieke ambitie - naar eer en geweten laten zien dat het allemaal al in Livius stond. Want ook in de oudheid wist men wel dat de mens een kwaadaardig wezen is. 'Onrecht moet je doen of ondergaan', is een van Machiavelli's favoriete citaten uit de eerste decade van Livius.

Een conversatie vraagt om twee personen. Nergens in zijn reacties op Livius verliest Machiavelli zijn eigen identiteit. Dat blijkt vooral uit stijl en vorm. Antieke historiografie onderscheidt zich van de moderne voornamelijk door drie karakteristieken: het mooier maken van de feiten, de invoeging van fictieve speeches en de sterke nadruk op retoriek. Bij Machiavelli niets van dit alles: geen mooimakerij, geen speeches en in plaats van Livius' 'romige volheid', een modern aandoende en colloquiale stijl die voorbeeldig door Van Heck is overgezet. Het enige nadeel van deze editie is de schoolmeesterachtige toon van het notenapparaat. Zoals gezegd laat Machiavelli redevoeringen, die antieke historiografen zo graag verzinnen, consequent achterwege. Als hij dan terwille van de levendigheid koning Perseus van Macedonië twee zinnen in de mond legt, merkt Van Heck op: 'de hier aan Perseus toegeschreven uitroep is een product van de fantasie van M.'. Anderzijds benadrukt de commentator, bij het invullen van alle details die Machiavelli zo zorgvuldig heeft weggelaten, voortdurend dat hij het allemaal nauwkeurig heeft opgezocht.

Maar dat laat onverlet dat de Machiavelli die Van Heck toegankelijk heeft gemaakt, ons op onze beurt weer tot voordeel kan strekken. De antieke twijfel over de mens is nog steeds hypermodern.