James Bill over duif Ball

James A. Bill. George Ball: Behind the Scenes in U.S. Foreign Policy. Yale University Press, 274 blz. ƒ 73,10

Tijdens de Koude Oorlog was het Amerikaanse politieke establishment verdeeld in 'haviken' en 'duiven': de harde kern in de worsteling met het communisme versus voorstanders van toenadering en ontspanning. Later verschenen er ook 'uilen', pragmatici die de achterdocht van de haviken paarden aan de vredeswil van de duiven. De grenzen tussen de kampen zijn achteraf moeilijk te trekken. Henry Kissinger, minister onder de presidenten Nixon en Ford, werd begin jaren zeventig in het progressieve kamp gehaat wegens zijn aandeel in de bombardementen op Cambodja en Noord-Vietnam. Reagan wantrouwde Kissinger daarentegen als architect van de ontspanningspolitiek uit diezelfde tijd en weigerde hem in 1980 een plaats in zijn kabinet.

Een overtuigde duif was George Ball (1909-1994), onderminister van Buitenlandse Zaken in het kabinet van Kennedy en, na diens dood, in dat van Johnson. Ball was een verklaard tegenstander van de Amerikaanse interventie in Vietnam. Maar zijn loyaliteit bewoog hem het regeringsbeleid in het openbaar te verdedigen, zelfs toen dit beleid onder zware kritiek kwam te liggen. Ball is dat kwalijk genomen, zelfs of juist toen zijn ware opstelling bekend werd. Had hij niet in een veel eerder stadium moeten opstappen? Ball meende van niet. Hij hield vol tot najaar 1966, toen hij tot de conclusie kwam dat zijn adviezen geen gehoor hadden gevonden.

James A. Bill is een met zijn onderwerp sympathiserende biograaf. Plichtmatig worden de kritische noten bij Balls politieke en persoonlijke leven opgesomd, maar zij monden alle uit in begrip. Ball, workaholic die hij was, tuk op met goede wijn besprenkelde diplomatieke expedities in Europa, mag in het algemeen als echtgenoot en vader tekort zijn geschoten, in de steeds weer terugkerende financiële en andere crises in de familie opereerde hij als verantwoordelijk gezinshoofd wie geen moeite te veel was. Zijn vertrek uit de regering was mede ingegeven door de noodzaak het gezinsbudget enigszins op orde te brengen.

Bill beschrijft Ball als een man van onwrikbare meningen, niet gehinderd door angst of terughoudendheid om er de machtige mannen mee te confronteren voor wie hij werkzaam was of wilde zijn. Begin 1977 keerden met Jimmy Carter de Democraten terug in de macht. Ball had zich voorgesteld Carters minister van Buitenlandse Zaken te zullen worden. Maar een eerder in het openbaar gehouden pleidooi voor een algehele Israelische terugtrekking uit veroverd Arabisch gebied had hem het verwijt opgeleverd antisemiet te zijn. Hoewel Carter met Balls opinies sympathiseerde, gaf hij de voorkeur aan Cyrus Vance - die hem na de mislukte reddingspoging van in Teheran gegijzelde Amerikaanse diplomaten in de steek zou laten.

Als zijn leermeester in het diplomatieke metier beschouwde Ball de Fransman Jean Monnet, de vader van de Europese eenwording. Van hem had hij het 'netwerken' overgenomen dat hem een internationale kring van invloedrijke gelijkgestemden opleverde, op wie hij kon terugvallen en die hem zijn diplomatieke successen verschaften. Van de Bilderberggroep (de eerste bijeenkomst had plaats op 29 mei 1954 in Hotel De Bilderberg in Oosterbeek) was hij een van de initatiefnemers.

Binnen de Amerikaanse regering trad Ball regelmatig op als advocaat van de Europese gedachte en van Europese belangen. De oorlog in Vietnam kritiseerde hij als verspilling, maar nog meer als ongewenste afleiding van belangrijker zaken. In de regering-Johnson, die gehypnotiseerd was door de oorlog in het verre Indochina, kreeg zijn oriëntatie op Europa nauwelijks nog weerklank. Kissinger zou later concluderen dat Amerika in de periode-Johnson eigenlijk geen buitenlandse politiek had gehad.

Hoewel George Ball zijn eigen vermogens niet onderschatte, overschatte hij zijn positie evenmin. Hij wist een man te zijn zonder politieke achterban. Zijn stem telde in het presidentiële conclaaf - zolang zijn loyaliteit niet ter discussie stond. Ball heeft dat ook zijn critici voorgehouden: zijn voortijdig vertrek zou politiek geen gevolgen hebben gehad. Lange tijd vertrouwde hij op zijn persoonlijke prestige bij Johnson zelf en bij zijn directe baas, Dean Rusk.

De biograaf toont Ball als staatsman die uitrijst boven zijn gelijken. De vraag is of Ball zelf dat zou hebben onderschreven. Slechts het ministerschap zou hem de gelegenheid hebben gegeven zijn capaciteiten ten volle te ontplooien. Maar dat is voor hem onbereikbaar gebleven. Zo blijft Ball een van de krachtige en creatieve politieke adviseurs waarvan opeenvolgende Amerikaanse regeringen zo goed voorzien zijn geweest. Hun inzichten waren dikwijls origineel en soms maatgevend, maar het waren hun bazen die, als het er op aankwam, aan de toets van de geschiedenis werden onderworpen.