Holle- en bolle ogen

Als je de kleine lettertjes op het schoolbord niet meer kunt zien. Of als je de ondertiteling op de televisie en in de bioscoop niet meer kunt lezen. Dan wordt het misschien tijd om een brilletje uit te zoeken.

Kinderen die een bril nodig hebben kunnen meestal in de verte niet meer goed zien. Dat is net andersom als bij oude mensen. Die zien het dichtbij niet meer scherp en hebben dan een leesbril nodig. Vaak kopen ze een half brilletje en kijken je over de randjes behoorlijk uilig aan.

Is een bril niet altijd een vreselijk stom gezicht? Kun je niet beter net doen alsof je alles nog ziet?

Net doen alsof er niets aan de hand is loopt op een dag in de gaten. Een leraar ziet bijvoorbeeld dat je alles overschrijft uit het schrift van je buren in de klas. Of je krijgt een ongeluk omdat je dacht dat die auto stilstond terwijl hij achteruit reed.

Wie niet meer goed in de verte ziet heet bijziend. Dat is een vreemde naam, want hij zegt niet wat je niet meer kan, maar wat je nog wel kan. Oma en opa die zonder bril de krant niet meer kunnen lezen heten verziend.

Als je door een bril voor een bijziende kijkt, zie je alles kleiner. In een bril voor een verziende zitten vergrootglazen. Een brillenglas, of een contactlens is een hulplensje dat de beweeglijke lens die in je oog zit helpt met het scherpstellen. Lenzen buigen lichtstralen af. Hele bolle vergrootlenzen, waar je alles groot door ziet, buigen de lichtstralen sterker af dan plattere lenzen die niet zoveel vergroten.

Lichtstralen afkomstig van de dingen waar je naar kijkt komen door de bolle buitenkant je oog binnen. Die bolle kant is het hoornvlies. Daarna gaat het licht door een dun met vocht gevuld schijfje, de voorste oogkamer. Het lichtbundeltje gaat verder door de pupil in je iris en passeert daarna de ooglens. Dan komt het langste stuk. Het licht gaat door de hele oogbol naar het netvlies. Dat ligt vol met lichtgevoelige zenuwen. Op het netvlies moet heel in het klein en toch scherp hetzelfde te zien zijn als waar we naar kijken. Pas als iets scherp op je netvlies staat, kun je zien waar je naar kijkt.

En scherp zien, daar moet je ooglens voor zorgen. Zodra je naar iets kijkt dat dichtbij is, zijn er spiertjes rond de lens die aanspannen en de lens boller maken. De lichtstralen die je oog binnenkomen worden dan sterker afgebogen, totdat er een scherp beeld op je netvlies staat. Zodra je in de verte kijkt ontspannen de spiertjes rond je lens zich helemaal. De lens wordt dan platter. Aan het scherpstellen hoef je zelf niks te doen. Je hersenen wachten niet tot je denkt: kom, laat ik dit eens scherp zien. Je hersenen laten de lens snel boller of platter worden tot er een scherp beeld op het netvlies staat. Alleen als je een beetje zit te dromen ga je onscherp zien. Je lensspiertjes mogen dan ook even suffen en je zit te staren.

Als je bijziend bent (en dus in de verte niet scherp ziet) is de voorkant van je oog te bol. Of je oogbol is te langwerpig en heeft naar achteren een puntje als een rugbybal. In ieder geval kan je lens niet plat genoeg worden om het beeld scherp op het netvlies te krijgen. Het beeldje is scherp voor het netvlies en daar heeft niemand iets aan. Maar en lens van de goede sterkte voor het oog kan ervoor zorgen dat een beeld uit de verte bij een ontspannen ooglens toch scherp op het netvlies komt. Oude mensen krijgen geen rugbybalvormige of eivormige oogbol, maar een stijve ooglens. Hun lens kan dan niet meer goed bolgetrokken worden, zodat ze niet meer goed dichtbij kunnen zien. Zo kun je als je al bijziend was, als je oud wordt ook nog verziend worden. Als bij- én verziend bent, lijkt het net of je alles heel goed kunt zien, maar in werkelijkheid zie je dan bijna niets meer scherp. De bijziendheid komt door een bolle oogbol en de verziendheid door een stijve ooglens.

Hoe het zo komt dat bij sommige kinderen en jonge mensen het oog te bol wordt, dat weten we niet. Misschien is het aangeboren. Kinderen met een bril hebben vaak ouders met een bril. Maar er zijn ook oogartsen die denken dat het komt doordat je te vaak naar dingen vlakbij kijkt, naar lettertjes in boeken, naar plaatjes in strips, naar spelletjes op de computer, naar soapseries op de TV.