Het naderend einde van een monetair kolonialisme

In Franstalig Afrika is het gemeenschappelijke betaalmiddel, de CFA-franc, temidden van militaire muiterijen en burgeroorlogen, een monument van stabiliteit. De 'franc-zone' bestaat uit zachte staten met een harde munt, die op peil wordt gehouden door de Franse schatkist. Maar hoelang nog? De devaluatie van 1994 was een teken aan de wand en de komst van de euro betekent volgens velen het einde van dit voorheen exclusief Franse jachtgebied.

In Dakar, de hoofdstad van Senegal, staat een bank waar je met een Nederlandse giromaatpas geld kunt opnemen. Kom daar maar eens om in Afrika. Een nijvere Senegalese houdt de cabine met de betaalautomaat brandschoon en op het trottoir ziet een veiligheidsbeambte erop toe dat klanten hun bankbiljetten ongestoord kunnen uittellen en opbergen. Uit de automaat komen knisperverse francs, uitgegeven door de Centrale bank van de staten van West-Afrika (BCEAO). De betaalautomaat bevindt zich in het hoofdkantoor van de BCEAO aan de Place de l'Indépendance, het grootste plein van Dakar. De enige soortgelijke automaat in West-Afrika is te vinden in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust, en die spuwt identieke bankbiljetten.

De West-Afrikaanse franc is, behalve in Senegal en Ivoorkust, ook wettig betaalmiddel in Mali, Niger, Burkina Faso, Benin en Togo. Kameroen, Gabon, Congo, Equatoriaal Guinee, Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek kennen de Midden-Afrikaanse franc, die wordt uitgegeven door de Bank van de staten van Midden-Afrika (BEAC). De Centrale Bank van de Comoren, een archipelstaatje voor de kust van Oost-Afrika, geeft zijn eigen franc uit. De drie munten zijn evenveel waard, zijn tegen een vaste koers inwisselbaar voor de Franse franc en hun waarde wordt gegarandeerd door het ministerie van Financiën in Parijs, de oude koloniale metropool. Tesamen vormen deze Afrikaanse staten de Communeauté Financière Africaine, kortweg CFA. De drie door Frankrijk geprotegeerde munten heten in de wandeling CFA-francs.

Het geldstelsel van de Afrikaanse 'franc-zone' vormt sinds 1948 de navelstreng die de economieën van deze voormalige Franse koloniën verbindt met die van het voormalige moederland. De zone was tientallen jaren een oase van monetaire stabiliteit en lage inflatie in Afrika en droeg tot in de jaren tachtig bij aan de economische groei van de aangesloten landen. Aan de grenzen tussen de zone en Engelstalige enclaves in West-Afrika, zoals Ghana, Gambia en Nigeria, die ieder hun eigen, doorgaans 'zachte' munt hebben, doen de zwarthandelaren in deviezen goede zaken. In Lomé, de hoofstad van Togo die tegen Ghana aan ligt, staan kleine zelfstandigen met opzichtige stapels Ghanese cedi's, die ze, in het blikveld van de douaniers aan de overkant, ver onder de officiële koers van de hand doen voor harde CFA-francs.

De koppeling van deze munten aan de Franse franc garandeerde een stabiele afzet van het Franse product in de zone, die door de Fransen lange tijd werd beschouwd als hun chasse gardée, hun exclusieve jachtgebied. Franse ondernemers profiteerden van beschermde markten, overheidsopdrachten, concessies voor de exploitatie van drinkwater, elektriciteit, mijnen en andere rijkdommen. De staten van de zone werden geregeerd door in Frankrijk opgeleide amices, vaak met harde hand en onder de goedkeurende blikken van Franse politici, volgens het beginsel “wanorde is erger dan onrecht” (een wijsheid die wordt toegeschreven aan Félix Houphouët-Boigny, in leven de nestor onder de staatshoofden in francofoon Afrika). Parijs besteedde miljarden francs per jaar aan ontwikkelingshulp, die steevast werd gedistribueerd via regeringspartijen, soms per valies, soms via genummerde bankrekeningen.

De ondersteuning van de CFA-franc door de Franse schatkist wekte de illusie van financiële veiligheid; tekorten op de betalingsbalans werden immers afgedekt door de metropool. Dat leidde tot een groeiende import van consumptie-artikelen, terwijl de inkomsten uit de belangrijkste uitvoerproducten van de zone - cacao, koffie, palmolie, katoen en aardolie - in de jaren tachtig drastisch daalden. Bovendien werd de concurrentiekracht van de CFA-economieën ondermijnd door de opwaardering van de Franse franc in vergelijking met de valuta van andere handelspartners.

IMF en Wereldbank kapittelden de staten van de zone, maar die waanden zich veilig onder de monetaire paraplu van Frankrijk, dat zijn cliënten in Afrika lange tijd sterkte in die overtuiging. Terwijl beide instellingen in rapport na rapport waarschuwden dat de CFA-franc was overgewaardeerd en dat de koers niet langer in verhouding stond tot de economische realiteiten, riep Michel Sapin, de Franse minister van Financiën, zijn collega's in de zone nog in 1992 op “geen gehoor te geven aan deze Amerikaanse lokroep”. Na het einde van de Koude Oorlog viel voor de Verenigde Staten het veiligheidsmotief - een 'Sovjet-Cubaans complot' in Afrika - weg om het 'jachtgebied' van de Franse bondgenoten te respecteren. Parijs zag in de pleidooien voor devaluatie van de CFA-franc een Amerikaans breekijzer om zich toegang te verschaffen tot deze afgeschermde markten en dat maakte de Fransen - ondanks de oplopende kosten van ondersteuning van de Afrikaanse munt - kopschuw. Daarbij kwam dat de Franse industriëlen en de politieke elite van de 'francophonie', bevreesd voor ontwaarding van de inkomsten uit hun profijtelijke handjeklap, één lijn trokken in hun verzet tegen devaluatie.

In 1993 keerde het tij. De gaullistische regering van Edouard Balladur besloot in september dat de CFA-franc op korte termijn niet langer convertibel zou zijn. De tam-tam had zijn werk intussen al gedaan. Sinds het voorjaar stroomden de CFA-francs in uitpuilende valiezen de zone uit om te worden ingewisseld voor harde Franse francs. Niemand wist wanneer 'het' zou gebeuren. Met Allerheiligen? Met Kerstmis?

Tegen het nieuwe jaar had de CFA-vlucht de vorm aangenomen van een slagaderlijke bloeding en was devaluatie onvermijdelijk geworden. Het typeert de Franse politiek in Afrika dat de beslissing werd uitgesteld tot na de presidentsverkiezingen in het oliestaatje Gabon en het verscheiden van de doodzieke president Houphouët-Boigny van Ivoorkust. De Gabonese president Omar Bongo, een oude bondgenoot van Parijs, stelde zijn herverkiezing veilig en op 7 december werd in Abidjan het overlijden bekendgemaakt van 'Le Vieux'.

Slechts luttele weken later, op 11 januari 1994, “begaven twee blanke tovenaars zich naar Dakar voor een andere begrafenis”, schreef Le Monde. In het gezelschap van enkele Afrikaanse staatshoofden en ministers van Financiën, kwamen de Franse schatkistbewaarder, minister Michel Roussin, en de algemeen directeur van het IMF, de Fransman Michel Camdessus, de CFA-franc met maar liefst 50 procent devalueren. Frankrijk capituleerde voor de druk van de economische noodzaak en - zo zag menig Fransman het althans - voor “de krachten der angelsaksische hegemonie”, lees: IMF en Wereldbank. Sindsdien is de vaste wisselkoers van de CFA-franc ten opzichte van de Franse franc 100:1 (voordien 50:1).

Westerse analisten zijn het er in meerderheid over eens dat het paardenmiddel van de devaluatie de volkshuishoudingen van de zone, macro-economisch gezien, goed heeft gedaan. Zij reppen van een 'zweepslag-effect'. De exporten van agrarische en andere grondstoffen zijn aangetrokken, ook binnen de zone zelf want importen van buiten de zone werden duurder. Zo zijn rundvlees en katoen van het straatarme Sahel-land Mali concurrerend geworden op de markt van het aanzienlijk kapitaalkrachtigere buurland Ivoorkust. De boeren - de overgrote meerderheid van de bevolking - hadden er voordeel bij, hoewel zij ook de last voelen van aanzienlijk duurdere, want ingevoerde, gereedschappen en meststoffen. De hardste klappen vielen onder de stadsbewoners, de grootste afnemers van geïmporteerde consumptieartikelen, die bovendien te maken kregen met hogere voedselprijzen. In het kader van door het IMF aanbevolen aanpassingsprogramma's werden de lonen bevroren en overheidsdiensten ingekrompen, wat bijdroeg tot een dramatische koopkrachtdaling in de steden van West-Afrika.

Uitgesproken sceptisch is Samir Amin, een geboren Egyptenaar en de grand old man onder de Afrikaanse economen. Amin is in de nadagen van zijn loopbaan directeur van het Forum Tiers Monde, een onderzoeksinstituut dat zijn zetel heeft in de Senegalese hoofdstad Dakar. In zijn kantoor op de derde etage van een huurkazerne aan de Rue du docteur Calmette, schudt hij misprijzend zijn grijze hoofd.

“Ik was voorstander van de devaluatie van de CFA-franc aan het begin van de jaren zestig (toen de lidstaten van de zone net onafhankelijk waren). Ik pleitte daar met kracht voor bij Afrikaanse regeringen. Ik zei: jullie zitten gevangen in een achterhaalde arbeidsverdeling, met jullie eenzijdige afhankelijkheid van grondstoffen. En dat in combinatie met overgewaardeerde valuta, gekoppeld aan de Franse franc. Als jullie werkelijk willen industrialiseren, zei ik, moeten jullie dat in regionaal verband doen en daarvoor heb je een veel onafhankelijker en flexibeler munt nodig dan je nu hebt.”

Dertig jaar lang gebeurde er echter niets, stelt Amin vast. “Uiteindelijk werd de devaluatie opgelegd door de Wereldbank. Als het in de jaren zestig was gebeurd, zou het een instrument zijn geweest om investeringen te bevorderen en productie te stimuleren. Nu heeft het alleen maar geleid tot meer ongelijkheid in de inkomensverdeling binnen de betrokken samenlevingen. Bovendien heeft de devaluatie niet bijgedragen tot meer groei. IMF en Wereldbank beweren dat wel, maar ik denk dat ze de cijfers hebben verdraaid. De toename van de exporten was gering, lang niet de vereiste orde van grootte. In de derde plaats heeft de devaluatie geen verbetering gebracht in de toestand van de overheidsfinanciën. Voor zover een en ander heeft geleid tot een geringer tekort, gebeurde dat tegen hoge sociale kosten. En op de langere termijn tegen hoge economische kosten, want als het onderwijs achteruitgaat, verspeelt men de toekomst.”

“Dit alles”, meent Amin, “zal leiden tot een tweede devaluatiegolf, niet volgend jaar, maar spoedig. En op dat moment zullen de muntunies van West- en Midden-Afrika uit elkaar vallen. Het olieland Gabon zal niet dezelfde koers accepteren als Tsjaad, en Ivoorkust niet dezelfde als Burkina Faso. Kortom, onder de gegeven omstandigheden zijn de gevolgen eerder negatief dan positief. Weet u, de heren economen, de tovenaars van de moderne wereld, beredeneren hoe een productiesysteem reageert op devaluatie, alsof je de economie van de VS kunt vergelijken met die van Mali, waar in het geheel geen industrie is. Dat is een belachelijke vooronderstelling. De modellen van IMF en Wereldbank zijn, als ze worden toegepast op Afrika, desastreuze caricaturen.”

Drie jaar na de devaluatie pakken zich opnieuw donkere wolken samen boven de Afrikaanse franc-zone. Ditmaal heet het dreigende onweer 'euro', de toekomstige eenheidsmunt van de Economische en Monetaire Unie (EMU). De immer kritische econoom Amin noemt de jongste speculaties hierover 'modieus': “Ik betwijfel of die euro er zal komen.” Hij erkent niettemin dat een eventuele invoering weinig goeds voorspelt voor de CFA-franc. “Ik denk niet dat de Europese partners van Frankrijk de CFA-franc zullen willen koppelen aan de euro. Zeker de Duitsers niet, evenmin als de Britten, want die zijn voor flexibele valuta, liberalen als ze zijn, Tony Blair inbegrepen. De Duitsers willen Italië er zelfs niet bij hebben, laat staan Senegal.”

Onlangs spraken de EU-leden af dat toekomstige kosten van het afdekken van de CFA-franc niet zullen worden afgewenteld op de Europese Centrale Bank (ECB). De CFA-landen hebben convertibiliteitsafspraken met het Franse ministerie van Financien. Voorzover er gaten moeten worden gedicht, loopt dat via de Franse begroting, niet via de Banque de France. In de toekomst zullen de CFA-landen moeten besluiten of ze hun munt willen koppelen aan de euro. Maar de euro wordt daar geen betaalmiddel en de CFA wordt daarmee ook geen kwestie van het ECB-stelsel. Op die manier is er theoretisch gezien voor CFA-landen geen vuiltje aan de lucht.

De praktijk zal echt anders uitwijzen. De onlangs aangetreden regering-Jospin laat er geen twijfel over bestaan dat ze Frankrijk in januari 1999 wil zien bij de eerste lichting EMU-landen. Bezuiden de Sahara is men steeds minder overtuigd van de houdbaarheid van de officiële Franse stelling dat de euro niets zal veranderen aan het functioneren van de franc-zone. Kreeg men geen vergelijkbare toezeggingen aan de vooravond van de devaluatie? Na afloop van de Frans-Afrikaanse top in Ouagadougou, in december 1996, heeft president Jacques Chirac, in antwoord op een vraag van Pascal Lissouba, zijn ambtgenoot van Congo-Brazzaville, zich schriftelijk vastgelegd op instandhouding van de navelstreng tussen de Franse schatkist en de drie centrale banken van de franc-zone. Parijs baseert zich formeel op de geest van artikel 109 van het Verdrag van Maastricht, dat de lidstaten van de Europese Unie machtigt om internationale verdragsverplichtingen aan te gaan.

Niettemin zal met de invoering van de euro de Franse franc verdwijnen. Met als gevolg dat een 'franc-zone' geen bestaansrecht meer zal hebben. Men zal ten minste de naam moeten veranderen. Belangrijker is de vraag in welke waardeverhouding de franc wordt vervangen door de euro. “De keuze van deze nieuwe pariteit”, schrijven de economen Gervasio Semedo en Patrick Villieu (1997), “zou opnieuw een devaluatie [van de Franse en daarmee dus ook de Afrikaanse franc] kunnen impliceren, teneinde een concurrentievoordeel te behalen”. Met het risico van eenzelfde kapitaalvlucht als het geval was toen in 1993 de geruchten van een devaluatie de ronde deden.

Op dit moment bedraagt het totale deficit van de franc-zone nog geen 500 miljoen Franse francs (165 miljoen gulden). Een onbetekenend bedrag vergeleken met het huidige begrotingstekort van Frankrijk dat de 3 miljard franc (1 miljard gulden) overschrijdt. Gezien de beperkte tekorten van de zone, valt het Parijs niet moeilijk de waarde van de CFA-franc te garanderen. Maar wat indien de gaten ginds groter worden? Frankrijk moet zich tenslotte houden aan de bepalingen in het EU-verdrag, zoals begrotingsdiscipline en een maximaal tekort van 3 procent van het BNP.

Volgens het goed geïnformeerde weekblad Jeune Afrique is, in tegenstelling tot wat Franse ambtenaren beweren, een eventuele koppeling van de CFA-franc aan de euro geen “simpele boekhoudkundige operatie”. Om deel uit te maken van de de euro-zone moeten de Afrikaanse landen dezelfde criteria van Maastricht, en dus dezelfde begrotingsdiscipline in acht nemen. Op instigatie van de Vijftien moeten ze hun tekort niet alleen beperkt houden tot ten hoogste 3 procent van hun BNP, maar hun debt service ratio (rente over en aflossing van schulden als percentage van de exportinkomsten) mag slechts 60 procent bedragen. Wat dit laatste punt betreft, de feitelijke prestaties schommelen voor de zone tussen de 100 en 200 procent.

In werkelijkheid houdt Frankrijk - dat zijn invloed in Afrika ziet tanen - door te kiezen voor de status quo krampachtig vast aan zijn Afrikaanse jachtgebied, waar de Amerikaanse invloed zich van dag tot dag meer doet gelden. Frankrijk heeft in mei van dit jaar ook de voormalige Portugese kolonie Guinee-Bissau toegelaten tot de franc-zone en het lonkt steeds vaker naar de reus Nigeria. Maar in Afrika blijft men ervan overtuigd dat de euro de doodsklok luidt voor de zone. “Kan Frankrijk”, vraagt een hoge ambtenaar uit Senegal zich hardop af, “de convertibiliteit van ons geld blijven garanderen, terwijl iedereen weet dat Duitsland en Engeland deze samenwerking onophoudelijk kritiseren, omdat ze van mening zijn dat deze een obstakel vormt voor de vrije concurrentie onder Europeanen in de regio?”