Het geluk is met de kwebbelaars

Willem Brakman: De gelukzaligen. Querido, 170 blz. ƒ 34,90

De favoriete weersgesteldheid in het romanuniversum van Brakman is regen. Geen plensbui, maar motregen, een gestage miezer. Een sombere wolkenlucht erboven, herfstbladeren, vroeg invallende schemering: wat wil de eenzelvige peinzer die steeds weer opduikt in zijn werk nog meer? Maar het lijkt erop dat de tijd van de pure navelstaarderij bij Brakman voorbij is. In zijn vorige roman Het groen van Delvaux (1996) vielen al boze woorden over de verloedering van onze (lees)cultuur, de teloorgang van fantasie en individu, de leegte van het moderne leven en de domheid van de zogenaamde gewone man.

Ook in De gelukzaligen, zijn nieuwe roman, valt een zeker protest te beluisteren tegen het eenzame lot van het individu dat zich in de massa moet zien staande te houden. De hoofdpersoon, Potter, behoort tot het gebruikelijke bleke Brakman-type dat nergens bij hoort. Maar anders dan anders is er bij hem een officiële diagnose gesteld. Potter is depressief. Hij wordt door zijn huisarts op vakantie gestuurd om er 'eens helemaal uit' te zijn, in de zomer nog wel. Hij reist af naar 'het eiland der gelukzaligen', in dit geval niet een van de Canarische Eilanden, maar het iets noordelijker gelegen Schiermonnikoog. Zelf lijkt hij er niet zozeer op uit om te herstellen van zijn neerslachtigheid, als wel om het ze daar eens goed in te peperen: 'Hij had een depressie en dat zouden ze weten ook.'

De titel is een beetje misleidend, want gelukkig wordt in deze roman eigenlijk niemand. Een mooie en bijzonder onderhoudende, maar ook ietwat wonderlijke roman, waarin twee verhalen naast elkaar worden verteld. In de oneven hoofdstukken figureren de schrijver in spe Potter en zijn creatieve kennissen: een dichter en enkele beeldende kunstenaars. In de oneven hoofdstukken worden we terugverplaatst naar de achttiende eeuw, waar we internationale figuren uit vorstelijke kringen kunnen gadeslaan bij de besprekingen die zij voeren op Schiermonnikoog. Die besprekingen gaan over 'onze prinses' - in dit boek een tijdgenote en vriendin van Charlotte Bentinck - die aan de man gebracht moet worden.

Afwisselend worden de lotgevallen beschreven van Potter, die bij wijze van therapie zijn bevindingen optekent in een boekhoudschrift en die van de eenogige graaf Von Launitz, een al even humeurig en vergeestelijkt baasje. Zoals Potter zwelgt in zijn depressie, zo zwelgt de graaf in zijn kwaaltjes, waaraan hij nog graag wat migraine zag toegevoegd: 'een omlokt, bedrukt voorhoofd, ivoorbleek, misschien nog iets gepoederd, twee dunne vingers bij de slaap, wat en een koket compresje.'

In beide gezelschappen wordt er onophoudelijk geïntrigeerd, zwart gemaakt en beledigd, terwijl er ook flink wordt rondgekoekeloerd, onder meer door Vosmeer de Spie, een personage van Vondel. Een diep wantrouwen in de mensheid zet hier de toon en zoals de waard is, zo vertrouwt hij ook zijn gasten. 'Het zijn soupçonneuze creaturen die alle kanten uit loensen', merkt Macchiavelli, een van de wonderlijke figuren uit het gevolg van de graaf, op over de Venetianen. De mensenschuwe Potter schrikt zelfs terug van zijn eigen spiegelbeeld. Wel ontwikkelt zich tussen hem en de dichter Potjewijd, wiens levenswerk bestaat uit een ongeschreven roman, een geërgerd soort verstandhouding.

Het is denk ik niet alleen voor ons amusement of voor zijn eigen plezier dat Brakman in De gelukzaligen de tijd trotseerde en een veelkleurige carnavalsstoet op de been bracht, waarin behalve oude Grieken ook 'mesalliances' opgenomen zijn, naast 'enkele wasfiguren'. Er is veel ironie in het spel, maar toch ook de nodige tragiek. Een verbindende en tegelijk ook vervreemdende factor is de verbale wedijver waarvan hij zijn schepsels voorzag. Ze willen praten, vertellen, getuigenis afleggen, of ze nu Agamemnon heten of Cagliostro, Robespierre, Potter of Potjewijd. Helaas is hun vermogen om te luisteren aanmerkelijk kleiner, zoniet afwezig, zodat er in de praktijk vooral langs elkaar heen wordt gepraat. Dat levert bizarre situaties op en fraaie misverstanden, maar geeft ook te denken. Welbespraakte types brengen prachtige zinnen voort, maar ze worden niet gehoord, laat staan begrepen. Het kan niet anders of Brakman heeft het hier ook over zichzelf en zijn vaak onbegrepen schrijverschap.

Het onvermogen om een min of meer normaal gesprek te voeren, wordt in De gelukzaligen voorgesteld als een algemener menselijk onvermogen. Wat ons ontbreekt is het ene woord dat het onzegbare zegbaar zou maken. Een tergend gemis. 'Schrijven gaat hierover', stelt Potter aan het eind van zijn vakantie vast en het is duidelijk dat hij daar niet erg gelukkig mee is. Gelukzaligheid lijkt alleen weggelegd voor oprechte zwijgers, voor gedachteloze kwebbelaars of voor kinderen, die nog niet weten dat de taal 'voor misbruik geschapen is'. Die hoeven zich ook geen motregen te laten welgevallen, maar mogen zorgeloos genieten van een zonovergoten zomerdag.