Het einde van Oost-Duitsland; Niemand zag er meer iets in

Charles S. Maier: Dissolution. The crisis of communism and the end of East Germany. Princeton University Press, 440 blz. ƒ 69,95

Peter Hintzen: Duitsland - bewogen hart van Europa. Een beknopte geschiedenis. SUN, 272 blz. ƒ 39,50

In het toneelstuk van de Oost-Duitse schrijver Christoph Hein over de ridders van de ronde tafel, dat begin 1989 in Oost-Berlijn werd opgevoerd, worden de vermoeide graalridders als metafoor gebruikt voor de oude verkalkte leiders van de toenmalige DDR. Ze kwamen tot de conclusie dat ze de heilige graal nooit zouden vinden en gedoemd waren ten onder te gaan. Het ideaal van het marxisme-leninisme, zoals ze dat in de DDR gestalte hadden willen geven, was volkomen verbleekt.

Wanneer, hoe en waarom is deze ronde tafel van King Arthur, alias Erich Honecker, uit elkaar gevallen? Was de ineenstorting van de DDR onvermijdelijk en wat waren de oorzaken ervan? Deze vragen stelt Charles S. Maier aan de orde in zijn voortreffelijke studie Dissolution. Hij beweert niet dat de DDR vanaf het begin gedoemd was te mislukken, wel ziet hij het verval al in de jaren zeventig en tachtig inzetten. Maier blijft niet steken in het louter weergeven van de feiten, maar verlevendigt zijn betoog met persoonlijke herinneringen en geschiedfilosofische gedachten en schuwt historische vergelijkingen niet. Bovendien heeft hij als Amerikaans historicus van Harvard het voordeel de 'implosie' van de DDR van buitenaf te kunnen beschrijven, zonder partij te hoeven kiezen in de onderlinge conflicten tussen Duitse historici.

Maier worstelt eveneens met de vraag of er nog kansen zijn geweest om althans een deel van de DDR-erfenis (het 'Biedermeier collectivisme') te redden. De snelle teloorgang van de ogenschijnlijk stabiele DDR-staat blijft in het herenigingsproces een apart verschijnsel, of beter gezegd een raadsel. Het heeft geleid tot een trauma dat mede heeft bijgedragen tot de lethargie en malaise waarin Duitsland op het ogenblik verkeert.

Eind jaren tachtig werd nog gesproken van de 'success story' van het communistische bewind. Niets is echter zo moeilijk uit te leggen als enthousiasme dat plotseling verdwijnt. Maiers boek bevat talloze factoren die de val van het Oost-Duitse communisme kunnen verklaren: de gigantische schuldenlast, de afbrokkelende geloofwaardigheid van het regime, het schrijnende gebrek aan individuele burger- en mensenrechten, de autistische reactie van Honecker c.s. op de hervormingsplannen van Gorbatsjov, de verloren concurrentieslag met het Westen en de falende planeconomie die het tijdperk van de computer niet kon volgen. En niet te vergeten: de DDR was voor zijn voortbestaan afhankelijk van de Sovjet-Unie en ook van de indirecte steun van West-Duitsland, dat door middel van miljardenleningen het regime hoopte te stabiliseren. De rijkere Bondsrepubliek was voortdurend een verlokkelijk alternatief, ook voor Gorbatsjov.

Ondanks al deze structurele tekortkomingen is het toch de Oost-Duitse bevolking zelf geweest - dus het initiatief van individuen die hun lot in eigen hand namen - die ofwel door te vertrekken (nadat Hongarije op 2 mei de grenzen met Oostenrijk had opengesteld) ofwel door massademonstraties in de herfst van 1989 het regime op de knieën kreeg. Het is deze combinatie van midden- en langetermijnfactoren en het benadrukken van individuele keuzemogelijkheden, die Maiers boek tot een waardevolle studie maakt.

Herhaling

De DDR was niet alleen een communistisch experiment, maar ook een Duitse onderneming. Het herenigingsproces was een herhaling van twee eerdere Duitse revoluties, die van 1848/49 en van 1918/19. Ging het bij de eerste om een vergeefse poging vrijheid en eenheid te combineren, bij de tweede was er sprake van een halve revolutie, waarbij constitutionele hervormingen werden doorgevoerd, maar sociale hervormingen bleven steken. Tijdens de 'Wende' van 1989/90 werden de belangrijkste doeleinden uiteindelijk bereikt: meer vrijheid, meer welvaart en nationale eenheid. Maar de sociale rechtvaardigheid wordt tekort gedaan.

Het is ook de vraag waarom de DDR zich zolang heeft kunnen handhaven. Afgezien van de Russische militaire aanwezigheid en de centrale rol van Duitsland in de Koude Oorlog speelde hierbij ongetwijfeld een rol dat de generatie die de DDR-samenleving na 1945 opbouwde de kans kreeg om een dubbele desillusie goed te maken. Als er zich één belangrijke kracht in de Duitse geschiedenis voordoet,dan is dat wel de neiging zich op het verleden te wreken, of althans een deel ervan te corrigeren, in dit geval zowel de ondergang van de Weimar-republiek als de waanzin van de nazi-periode. De DDR was niet alleen een erfenis van Stalin, maar ook van Hitler.

Waarom heeft de DDR-bevolking het regime zo lang gehoorzaamd? Cruciaal is de vraag hoe het regime zich in de confrontatie met de bevolking kon handhaven en onder welke omstandigheden individuen of groepen overgingen tot het uitdagen van de spelregels. Eén factor daarbij is het gebrek aan flexibiliteit dat de communistische partijleiders toonden in het omgaan met nieuwe technologische ontwikkelingen. Al eerder hadden zij volgens Maier kansen laten liggen om de economie te liberaliseren. De vraag is echter of de socialistische planeconomie wel hervormd kón worden. Zou de Derde Weg tussen kapitalisme en communisme niet automatisch leiden naar de Derde Wereld?

Maier wijst ook op andere factoren: de laat-socialistische regimes in Oost-Europa probeerden in het laatste decennium van hun bestaan wanhopig de samenleving onder controle te houden, een samenleving die volgens Maier werd gesteld voor dezelfde problemen die het kapitalistische Westen in de jaren tachtig teisterden: de toenemende complexiteit van de maatschappij, het milieu en de economische recessie. De ondergang van de Sovjet-Unie en die van de DDR ziet Maier als onderdeel van een wereldwijde overgangscrisis in de economie en als gevolg van een internationale publieke opinie die steeds meer in democratische richting begon te denken.

De oplossing die de Oost-Europese regimes voor de verminderde acceptatie onder de bevolking kozen was niet méér dwang en repressie zoals in de jaren daarvoor, maar de systematische manipulatie van de publieke relaties tussen burgers en autoriteiten. Het 'reëel bestaande socialisme' in de DDR was gebaseerd op een dubbele 'verdraaiing'. Het transformeerde de publieke sfeer in een gebied waar met de elite moest worden onderhandeld over westerse goederen, publicatie- en uitreismogelijkheden en onderwijs- en beroepskansen. En het veranderde de privé-sfeer in een duister domein van medeplichtigheid en geheimzinnigheid.

Door middel van privileges en beloningen, van straf en onthouding, werd er zodoende diep ingegrepen in het privé-leven van mensen. De Stasi speelde hierin een steeds belangrijkere rol en fungeerde niet alleen als politieagent, maar ook als een soort sociaal werker die de gevestigde orde handhaaft.

Derde Rijk

Maier ziet terecht weinig heil in een vergelijking tussen de DDR en het Derde Rijk. De verschillen zijn daarvoor te groot. Hij vergelijkt de DDR liever met een Midden-Europese autoritaire politiestaat. Door het clientèle-systeem groeide bij intellectuelen en andere oppositionele groeperingen de behoefte aan een 'civiele samenleving', waardoor op de lange duur de machtspositie van de communistische regimes werd ondermijnd. Het communisme werd op deze manier zelf-destructief. De Oost-Duitse leiders verloren het geloof in hun politieke visie en raakten onderling verdeeld. Het is volgens Maier niet zozeer een legitimiteitscrisis of de economische malaise geweest, alswel een politieke geloofscrisis die het regime de das omdeed.

Voor 1989 was er in de DDR weinig sprake van verzet. De echte oppositie verbleef in de Bondsrepubliek, de rest van de intellectuelen en dissidenten had zich verstrikt in de smalle marges van loyaliteit en kritiek. Onder bescherming van de lutherse kerk ontstonden in de jaren tachtig weliswaar kleine kernen van verzet rond thema's als vrede, milieu en mensenrechten, maar de Oost-Duitse oppositie was sterk verdeeld en gefragmentiseerd en kon weinig tegen het almachtige staatsapparaat uitrichten. Pas in 1989 vond een drastische verandering plaats.

Het meest tragische aspect van de revolutie is ongetwijfeld dat groepen als 'Neues Forum' die het systeem van binnenuit wilden hervormen na de verkiezingen van 18 maart 1990 uiteindelijk met lege handen bleven zitten. Enerzijds omdat het herenigingsproces werd overgenomen door de regering van Kohl, met steun van de Verenigde Staten, anderzijds doordat elke vorm van socialisme zijn krediet had verbruikt, zeker toen de corruptie en wanbestuur van de SED duidelijk waren geworden. De Oost-Duitse regering van Hans Modrow en de ronde-tafelconferenties in de winter van 1989/90 waren de laatste stuiptrekkingen van het Derde Weg-ideaal. Maier spreekt van een uniek verschijnsel, omdat deze gesprekken een belangrijke functie vervulden in de aansluiting van de DDR bij de Bondsrepubliek op basis van artikel 23 van de grondwet. De socialistische utopie was hiermee echter volledig van de baan, of zoals Bèrbel Bohley van 'Neues Forum' later haar teleurstelling uitdrukte: 'We wilden rechtvaardigheid, maar kregen de 'Rechtsstaat' '.

Melancholie

Maier behandelt ook de gevolgen van de hereniging, in het hoofdstuk 'Anschluss en melancholie'. Hij legt daarbij de nadruk op de economie, het onderwijs en het verwerken van het verleden en minder op de internationaal-politieke consequenties. Dacht men in de Bondsrepubliek dat de Oost-Duitsers zich wel zouden aanpassen zonder dat er veel zou veranderen, de Oost-Duitsers zelf voelden zich steeds meer immigranten in hun eigen land. In plaats dat het westen het oosten zou redden, lijkt het er meer op dat de problematiek van het oosten het westen is gaan aantasten. De werkloosheid, de aanpassingsproblemen, de intellectuele barrières en de uitgebleven economische herstructurering zijn een grote last voor het huidige Duitsland.

Toch eindigt Maier zijn boek niet somber. In het enthousiasme over het inpakken van het Rijksdaggebouw door de kunstenaar Christo ziet hij een hoopvol teken voor een nieuw begin van Duitsland. Zijn boek is een van de beste analyses van de ondergang van de DDR en de daarop volgende hereniging en laat vooral zien hoe de overgang van de 'Bonner Republik' naar de 'Berliner Republik' sterk wordt belast door de nasleep van de hereniging en de keuzes die toen zijn gemaakt.

Uit het boek van Peter Hintzen, Duitsland - bewogen hart van Europa, blijkt vooral de persoonlijke betrokkenheid van de auteur bij zijn onderwerp. Al vanaf zijn jeugd gefascineerd door wat zich aan de andere kant van de Nederlands-Duitse grens afspeelde, heeft de vorig jaar overleden auteur voor een lange-termijnperspectief gekozen. Hij laat zijn historisch overzicht van de Duitse geschiedenis bij Karel de Grote rond 800 beginnen en eindigen bij de hereniging. Hoe diep de Duitse geschiedenis in een leven kan ingrijpen, wordt bijna op elke bladzijde duidelijk. Toch mist het boek mede door zijn enigszins moralistische toon de nodige analytische scherpte. Hintzens boek moet vooral gezien worden - en dat is geen geringe verdienste - als een bijdrage aan de verzoening tussen Duitsland en Nederland.