Grote vakantie

's Zomers zijn de toneel- en de muziekgezelschappen uitgebreid op reces. Er gebeurt nog wel wat op straat of in het park, maar dat valt in de categorie 'feestjes'. Serieuze premières en toonaangevende dirigenten laten rustig op zich wachten. De uitvoerende kunsten houden zich koest, net zolang tot de Amsterdamse Uitmarkt het nieuwe seizoen laat losbarsten.

Met de beeldende kunsten ligt dat anders. Statische dingen hoeven niet net als acteurs of solisten met vakantie. Je zet ze neer of je hangt ze op en het publiek krijgt weken- of maandenlang de gelegenheid ze te gaan bekijken. Musea hebben in de zomerse luwte het culturele rijk alleen.

Die musea gaan dus flink uitpakken, zou je denken. Want ze krijgen gegarandeerd die Nederlanders over de vloer die er graag op uittrekken. En ook menig toerist zal zich aandienen. Die wil net als de Nederlander in het buitenland een onvergetelijke tentoonstelling tegen het lijf lopen.

Jammer genoeg hebben al die toeristen ook deze zomer weer vergeefs naar zo'n verrassing gezocht. Natuurlijk gingen ze eerst naar het Van Gogh Museum in Amsterdam en niet te vergeten de Vermeers in het Rijksmuseum, de 'musts' uit hun reisgids. Het Stedelijk Museum fungeerde nog als halteplaats voor de reizende tentoonstelling van de Amerikaanse fotografe Nan Goldin, die al jarenlang met haar camera langs de zelfkant van de samenleving zwerft; en zo'n expositie is altijd meegenomen.

Maar geen enkel museum in Nederland Museumland heeft een tentoonstelling van formaat gebracht. Voor het oeuvre van Léger moest men in Parijs zijn, voor Ellsworth Kelly in Londen, voor Bruce Nauman in Wolfsburg, voor een overzicht van de twintigste-eeuwse kunst in Berlijn, voor Gary Hill in Münster, voor Jasper Johns in Keulen, voor Sebastian Stosskopff in Straatsburg, voor Anthony Caro in Middelheim. Ook de jonge, Nederlandse beeldende kunst liet het volstrekt afweten. Liever duikt men in het Stedelijk Museum weer eens de depots in, dan dat men daar met een spraakmakende stand-van-zaken-presentatie aan de weg timmert.

De meeste toeristen zijn inmiddels weer naar huis gegaan. Op het ministerie van OCW kan men zich weer het bruingebrande hoofd buigen over de aanpak van 'internationalisering' van de kunsten, over de buitenlandse 'promotie' van vaderlandse, culturele 'produkten' en over de vraag 'hoe geef je toch je eigentijdse beeldende kunst meer internationale bekendheid?'.

Ook de musea en galeries zijn weer ontwaakt. Allemaal openen ze min of meer gelijktijdig met een 'publiekstrekker'. Geen mens die ze allemaal kan bezoeken, geen krant die ze allemaal naast het nieuwe toneel- en muziekaanbod kan recenseren: Van de Zwarte Farao's in de Nieuwe Kerk tot Jürgen Partenheimer in het Stedelijk Museum; van Joep van Lieshout in Boijmans tot de omvangrijke fotomanifestatie Noorderlicht in Groningen; van Eugène Brands in het Cobra Museum tot Henk Visch in Heerlen, etc.

De schilderijen, tekeningen, beelden, video's en installaties zijn blijkbaar weer veilig teruggekeerd van vakantie.