Griekse gruwelen

Leon Garfield & Edward Blishen: Slangen in de kinderkamer. Het verhaal van de Griekse helden. Vertaald uit het Engels door Nicolaas Matsier. Querido, 188 blz. ƒ 37,50

Soms zijn ze spookachtig eng, de verhalen die verteld worden over de Griekse helden en hun strijd tegen de monsters, tegen zichzelf, tegen hun goden. Als Heracles het moeras ingaat om de hydra van Lerna te doden, het veelkoppige slangachtige monster, ruikt de lucht smerig wee en zoetig, het is donker, en spookbeelden van de indringer en de kleine jongen die hem vergezelt duiken overal op, als zichtbare echo's. En nog erger wordt het. Als de hydra eenmaal tevoorschijn is gekomen en zich met haar ijskoude lijf om Heracles slingert, ziet hij in de gevaarlijke slangenkoppen de gezichtjes van zijn kinderen die hij, toen hij ze in een vlaag van waanzin aanzag voor monsterlijke slangen, vermoord heeft. 'Dit was het uur der waarheid voor Heracles, die de wraak onder ogen zag die hij het diepste vreesde.' De monsters, ze komen niet uit het moeras, ze komen uit de mensen zelf.

In Slangen in de kinderkamer vertellen Leon Garfield en Edward Blishen hetverhaal van de Griekse helden, zoals ze eerder in het schitterende De god beneden de zee het verhaal hadden verteld van de Griekse goden. 'Het' verhaal bestaat niet, maar in beide boeken maken Garfield en Blishen de vele verhalen tot een geheel. Dat doen ze op verschillende manieren. Een ervan is door een hoofdpersoon te kiezen die als rode draad fungeert, Hephaestus bij de goden, Heracles bij de helden. Heracles is de man die belaagd wordt door slangen, de slangen die Hera hem zendt, jaloers als ze is dat Zeus de jongen verwekte bij Alcmene. Zeus, die zich voordeed als Alcmene's echtgenoot Amphitryon, 'verborg zijn wonderlijk gouden ogen - en nam haar nog een keer'. De slangen van Hera zijn vooral slangen van de waanzin die Heracles af en toe in zijn greep krijgt, een waanzin die hem tot het afgrijselijkste drijft wat een mens maar kan doen: het vermoorden van zijn eigen kinderen. Om die eigenlijk ondelgbare schuld te verzoenen moet hij zijn beroemde twaalf werken verrichten. Vernederende, zoals het schoonmaken van de stallen van Augias, gruwelijke, zoals het verslaan van de Hydra, onmenselijke, zoals het afdalen in de onderwereld om Cerberus op te halen. En ten slotte, als extraatje bijna, bevrijdt hij de figuur die in beide boeken op de achtergrond een onmisbare rol speelt: Prometheus.

In De god beneden de zee lazen we hoe Prometheus de mensen maakte, in dit deel lezen we hoe hij, lijdend op zijn rots, waar elke dag een gier komt om zijn lever uit te pikken die elke nacht weer aangroeit, het leven van de mensen zin geeft. Prometheus heeft iets onmiskenbaar Christus-achtigs, zoals de hele Griekse godenwereld in deze boeken enerzijds intact wordt gelaten, anderzijds doordrenkt wordt van een moraal vol schuld en lijden die weinig klassiek Grieks aandoet.

Garfield en Blishen zijn hartstochtelijke en bijzondere vertellers die de Griekse goden- en heldenwereld betoveren met overvloedige en welgekozen adjectieven en royale psychologische inleving. Ze maken duidelijk waarom deze verhalen bestaan en verteld worden, verteld moeten worden zelfs; om het verlangen naar een wereld 'ruimer en mysterieuzer dan zij was'. Door Slangen in de kinderkamer loopt een verhalenverteller heen die een zelfportret lijkt van de schrijvers. Hij kan niet anders dan vertellen, hij gaat op in zijn eigen vertelsel zolang hij ze uitzingt, hij is in staat, ook als hij zelf niet gelooft, zijn toeschouwers te laten geloven - maar zelf heeft hij nooit 'ook maar een nereïde' gezien, hij komt steeds te vroeg of te laat en eigenlijk trekt hij de waarheid van al die verhalen die hij al reizend opdoet in twijfel. Maar hij houdt er zo van om ze mooi te maken, om ze te versieren, om zichzelf en zijn toehoorders de illusie te geven dat ze tussen ons leven, de goden. En wie leest gelooft - zolang hij leest.