Gevaar van oorlog in Libanon groeit

De dood van 11 Israelische militairen in Libanon versterkt de druk op de Israelische regering iets te doen, en oorlog is eigenlijk de enige optie.

AMSTERDAM, 5 SEPT. Als de politici en columnisten het weer eens hebben over “Israels Vietnam” of over “de Vallei des Doods”, weet iedereen in Israel onmiddellijk wat zij bedoelen: de veiligheidszone in Zuid-Libanon, een stukje gebied langs de grens. Een bergachtig en idyllisch gebied, ideaal voor een guerrilla-oorlog.

Hier worden wekelijks Israelische militairen en hun Libanese bondgenoten gedood en gewond door onzichtbare en praktisch ongrijpbare vijanden. Zij vallen de patrouilles en konvooien aan met op afstand bestuurde bommen, die de laatste tijd als rotsblokken zijn verkleed - een Iraanse uitvinding. De oorlog hier is geen televisiegebeuren, en dus door de buitenwereld bijna vergeten. Maar in Israel zèlf is deze oorlog, die men onmogelijk kan winnen, steeds meer omstreden.

De veiligheidszone, die de facto al sinds Israels eerste militaire inval van 1978 bestond, werd in 1985 aangehouden. Toen trok Israel zich uit het grootste deel van Libanon terug, dat het in 1982 in de actie 'Vrede voor Galilea' had veroverd. Weliswaar had die oorlog de PLO-strijders verdreven, maar hun plaats werd ingenomen door de strijders van de Libanese bewegingen Amal en Hezbollah.

Opnieuw moest de veiligheidszone als buffer dienen ter bescherming van de stadjes en dorpen in Noord-Israel, die voorheen door de PLO werden aangevallen. In de zone opereert - naast zo'n 2.000 Israelische militairen - een door Israel betaalde en opgeleide Libanese militie, het Zuidlibanese Leger, ongeveer 2.500 man sterk.

Het concept van de veiligheidszone bleek steeds minder houdbaar, omdat Hezbollah - in tegenstelling tot het Zuidlibanese Leger - over zeer goed gemotiveerde strijders beschikt (naar schatting 500 man) en daarnaast van Iran steeds betere wapens krijgt. Hun verliezen zijn de laatste tijd sterk afgenomen: 2,7 doden tegenover elke gedode Israelische militair - voor een aanvalsmacht een uitstekende verhouding.

Israels premier Peres was vorig jaar april zo radeloos over de successen van Hezbollah, dat hij onder druk van de legerleiding toestemming gaf tot de grootscheepse bombardementsactie 'Druiven der Gramschap'. Het doel was Libanon economisch zo te beschadigen, dat de Libanese en de Syrische regering zich gedwongen zouden zien hun steun aan Hezbollah (de enige toegestane militie in Libanon) te staken, waardoor de wapenstroom uit Iran zou worden afgeknepen. Het bombardement op Qana, waarbij meer dan honderd Libanese burgers om het leven kwamen, maakte echter een voortijdig einde aan 'Druiven der Gramschap'.

Israel werd onder druk van de internationale publieke opinie gedwongen de bombardementen voortijdig af te blazen. Een staakt-het-vuren bepaalde dat de partijen met hun oorlog mochten doorgaan, zonder de burgers in elkaars gebieden te bestoken.

Intussen gaat de oorlog gewoon door. Een oorlog die Syrië uitstekend uitkomt. Want Israel wordt erdoor beschadigd, zonder dat het iets wezenlijks terug kan doen. Dus verwerpt president Hafez al-Assad elk Israelisch voorstel om in ruil voor bepaalde veiligheidsgaranties Zuid-Libanon te verlaten. En omdat Assad de Libanese buitenlandse politiek bepaalt, wijst ook de Libanese regering elk idee van de hand dat niet op Israels onvoorwaardelijke terugtrekking berust.

De groeiende boosheid van de Israelische moeders over de risico's die hun zoons in Libanon lopen, heeft tot gevolg dat de regering-Netanyahu onder steeds meer druk komt om iets te doen. Maar wat? Er zijn in feite maar drie opties: zich zonder afspraken eenzijdig terugtrekken, gewoon blijven en de verliezen incasseren, of een nieuwe grootscheepse aanval op Libanon lanceren, die niet - zoals vorig jaar, toen geen van de gestelde doelen bereikt was - voortijdig wordt afgebroken.

Netanyahu heeft al herhaaldelijk gezegd dat “als wij uit Libanon vertrekken, Libanon naar ons komt”. De leiders van Hezbollah weigeren de vraag te beantwoorden of zij de strijd tegen de zionistische vijand zullen staken, als Israel zich heeft teruggetrokken. “De vijand is hierover in grote verwarring”, zei onlangs één van hen. “Moge hij lang verward blijven.”

Daarmee komt langzaam maar zeker de oorlogsoptie steeds meer in zicht, hoewel eigenlijk niemand die oorlog wil. Eén van de redenen waarom minister Albright volgende week toch naar het Midden-Oosten reist, is om te trachten die kans op oorlog iets te verminderen.