Er is een vrouw vermoord... Volwassenen en kinderboeken

'Er staat heel wat wreeds in kinderboeken. Er is ook veel wreeds in een kinderleven' schrijft kinderboekenauteur Joke van Leeuwen. Zij reageert op het artikel dat Kester Freriks vorige week in het CS schreef over de plaats van de jeugdjaren in de Nederlandse literatuur.

Vorige week schreef Kester Freriks een artikel over de jeugdjaren als thema in de Nederlandse literatuur. Het kind dat schuilt in elke volwassene leeft nog, zei hij, en het wil altijd blijven leven. Maar toen het even over kinderboeken ging, werd de herkenning vervreemding: 'Een jeugd moet weer zonnig zijn. Een uitvloeisel hiervan is dat volwassen mensen steeds meer kinderboeken gaan lezen, niet alleen volwassenen met kinderen maar ook zonder kinderen. Sentiment om vroeger is bon ton. Er wordt uit andere goudmijnen gedolven: die van de vertedering.'

Het was mij al eerder ter ore gekomen: de zorg om de infantilisering van volwassenen, want zij lezen steeds meer kinderboeken.

Nu ben ik iemand die onder meer het soort boeken schrijft en tekent dat men kinderboeken noemt. Ik krijg dus nogal eens rechtstreekse reacties van volwassenen en ik moet u zeggen: ik heb van die mensen helemaal niet het gevoel dat ze geïnfantiliseerd zijn, dat ze op een sentimentele manier een zoet en week en zonnig beeld van de kindertijd willen herscheppen. Ze zouden er ook niet ver mee komen. Integendeel, ik heb eerder het idee dat ik hen niet meer hoef te vertellen wat ik hieronder aan anderen zal trachten duidelijk te maken.

Om te beginnen dat sentiment: de filosoof Walter Benjamin (die overigens kinderboeken verzamelde) schreef in 1924 een kritisch essay waarin hij zei dat het 'zoetige gebaar' helemaal niet bij het kind past, maar wel 'bij de bedorven voorstellingen die men van hem koestert'.

Die bedorven voorstellingen bestaan nog steeds, zowel ten opzichte van kinderen als ten opzichte van het kinderboek. Vaak ligt daaraan een gebrek aan kennis ten grondslag. De begrippen 'kinderboek' en 'jeugdboek' werken vertroebelend, ze geven de indruk alleen voor een bepaald reservaat geschikt te zijn, en suggereren op zich geen kwaliteit, zoals het woord 'literatuur'. Zo'n twee eeuwen geleden werd er met veel theorieën een hoge drempel gelegd tussen wat volwassenen lazen en wat kinderen hoorden te lezen. Reacties gericht tegen de 'bedorven voorstellingen' omtrent kinderen en kinderboeken kwamen er al gauw nadat die drempel was opgeworpen, onder andere van Nicolaas Beets, die vond dat volwassenen zich niet hoefden te schamen als ze voor hun eigen genoegen kinderboeken lazen. Ze moesten volgens J.A. Leopold dan wel geschreven zijn door een schrijver 'wiens kinderlijke zin niet verstijfd is onder 't lastig vernis van schijnbeschaving, dat (-) bij elken dartelen sprong dreigt te barsten'.

Die 'kinderlijke zin' is het openhouden van de bron, is het stellen van de basale vragen aan de met alles vertrouwde en cynische tijdgenoot in jezelf. Het is wat mij betreft niet, zoals Kester Freriks suggereert in verband met schrijvers die over hun jeugd schrijven, de wens om naar die tijd terug te willen keren.

Freriks vindt een 'fraaie parallel' waardoor zoveel literatuur over de kindertijd gaat: “de schrijver ontdekte als kind de wereld, (-) De openingszin van het eerste boek is als het stamelen van de eerste woordjes. De vreugde daarover, de onuitwisbare triomf, die zal iemand nooit verlaten.”

Een schrijver van kinderboeken kan evenzeer dit besef hebben van de parallellie tussen het eerste ontdekken en het blijvend zoeken naar nieuwe woorden en formuleringen, het niet verstijfd raken 'onder 't lastig vernis'. En vanwege die vreugde van het ontdekken vind ik het zinvol ook voor beginnende lezers te schrijven. (Overigens, 'te zijn of niet te zijn' is van het eenvoudigste leesniveau, dus er kan wel wat in zulke teksten).

Een schrijver die voor beginners schrijft kan zich evenzeer bewust zijn van de door Kester Freriks genoemde vergankelijkheid. Als tegenhanger van dat 'beginnend lezen' schreef ik in mijn poëziedebuut het gedicht 'Laatste lezer' (tevens titel van de bundel):

Als de nacht in o's en a's plakt zand aan regels krabt laatste lezer de handdoek oppakt het lichaam zonder water wast een mal van nerven achterlaat waarin geen ander past en gaat blijft er een fladderen voor de vloed wat wind met bladzijden doet. Dat verband werd niet opgemerkt. Ergens op een redactie werd wel gezegd dat ik voor het eerst 'serieuze literatuur' had gemaakt.

Humor is serieus. Vaak is het de subversieve kracht van wie onder een grote en humorloze macht moet doorleven. Goede humor heeft wat mij betreft altijd een schaduwzijde.

In zekere zin leven kinderen onder de macht van de volwassenen. Veel subversiefs en niks braafs en zoets zit er in de versjes die opduiken als volkscultuur op de speelpleinen: Er is een vrouw vermoord, ei,/ aan een gordijnenkoord, roetsj...

Het subversieve speelse, waarvoor in kinderboeken zoveel plaats kan zijn, spot vrolijk met ons cynisme, met de pijn om de vergankelijkheid van tijd, liefde, godweetwat. Dat laat ons serieus een 'dartelen sprong' maken in de geest.

Er sjokken veel beren rond in kinderboeken. Zij zijn indrukwekkend van omvang, maar tegelijkertijd spotten ze door hun onhandig ogende lobbesachtigheid met het belang van zo'n flink formaat. Verder combineren ze, net als kinderen, een ogenschijnlijke onschuld met onbehouwenheid. Ze zijn moeilijk onder controle te houden. Daarmee roepen ze dezelfde voor volwassenen verwarrende combinatie van vertedering en dreiging op als ook kinderlijkheid bij zoveel volwassenen oproept. Het is opvallend hoe vaak het kind in de geschiedenis van onze cultuur als iets bedreigends is gezien, maar tegelijkertijd als iets onbeduidends, zonder status of betekenis, geen echt mens eigenlijk.

Een fragment uit het kinderboek Alice in Wonderland:

“Wat weet jij van deze zaak?”, zei de koning tegen Alice.

“Niets”, zei Alice.

“Hoegenaamd niets?”, drong de koning aan.

“Hoegenaamd niets”, zei Alice.

“Dat is zeer belangrijk”, zei de koning, zich tot de jury wendend. Zij stonden juist op het punt dit op hun leien te schrijven, toen het Witte Konijn interrumpeerde.

“Onbelangrijk, bedoelt Uwe majesteit natuurlijk”, zei hij op zeer respectvolle toon, maar hij fronste en grimaste terwijl hij sprak.

“Natuurlijk, onbelangrijk bedoelde ik”, zei de koning haastig, en op gedempte toon vervolgde hij in zichzelf: “belangrijk-onbelangrijk-onbelangrijk-belangrijk...”, alsof hij naging welk woord het beste klonk.

Dat gebeurt er in dit soort boeken: kleine mensen kunnen groot worden en grote klein; ideale lichamen worden vervormde lichamen; wetendheid en onwetendheid, belangrijk en onbelangrijk, jong en oud, dag en nacht, ervaring en onervarenheid worden door elkaar gehaald. Er wordt ontsnapt aan de controle. Er wordt op z'n kop gezet.

Zulke demasqué's zijn niet besteed aan lezers die mensen in groepen en hokjes stoppen en vervolgens van vaste etiketten en rangschikkingen voorzien en zich een echter mens achten dan een ander.

Er staat heel wat wreeds in kinderboeken, van Hoffmanns tot Roald Dahl. Er is ook veel wreeds in een kinderleven. Veel angstigs en onduidelijks, veel gebrek aan respect en begrip en overzicht. Het is niet braaf en zoet. Wie zegt dat het een paradijs was, heeft, hoe goed zijn ouders misschien ook waren en hoe spannend het in de tuin was, volgens mij een slecht geheugen.

Over Annie M.G. Schmidt bestaat er een boekje dat Altijd acht gebleven heet. Ik heb wel eens beweerd dat dat een titel is die tot misverstand kan leiden, omdat het de suggestie geeft van stilstand, terwijl het iets zegt over het weghalen van de drempel, over het meenemen tot je over de tachtig bent van die 'kinderlijke zin' die het volwassen leven meer kleur, kracht en levendigheid kan geven.

Dus, mede-volwassenen, als u behoort tot de minderheid die wel eens voor eigen genoegen kinderliteratuur leest, dan krijgt u daar geen kinderziekte van. Wie bang is dat dat niet volwassen genoeg is, is misschien niet volwassen genoeg. Trouwens, u mocht het al van Beets, 133 jaar geleden, dus wat zeuren we nog.