De moderne zetterij

Een lommerrijke Amsterdamse gracht, een monumentaal pand, met onderin een licht en open souterrain. Glad parket op de vloer. Muren van schoon metselwerk in ouderwetse, handgevormde steen. Wat tafels, her en der een pc met wat toebehoren, uitzicht op een fraaie woontjalk langs de kade. Het is er rustig, op wat straatgeluiden die door de wijdopen ramen binnensijpelen na. Dit is nu een moderne zetterij. In niets lijkt het er op de traditionele industriële spelonken bevolkt door ernstig kijkende mannen in blauwe stofjassen met potloodjes achter het oor en linialen in de zak.

“Die bestaan niet meer”, zegt Sander Pinkse, zetter en eigenaar van het spul. “De oude loonzetterijen zijn verdwenen, en met hen de montagemeisjes, de correctoren en nog veel meer.” Het is de schuld van de computer, die in de grafische sector heeft huisgehouden als een ware witte tornado. Pinkse vindt het geen verlies. Het werk is er niet minder om geworden, en de kwaliteit ook niet. “Eerder andersom. De technische mogelijkheden zijn juist groter dan ooit. Kijk eens hoezeer de kwaliteit van drukwerk in de afgelopen jaren verbeterd is. Je ziet nu dingen die nog maar kort geleden tot de onmogelijkheden behoorden. Neem kleurenfoto's in kranten, prachtdrukwerk met meer-dan-vier-kleurendruk, dat is allemaal nieuw.”

Dankzij gespecialiseerde opmaakprogramma's is het zetproces minder omslachtig geworden en tegelijk flexibeler. Twintig jaar geleden lag alles nog muurvast. Eerst maakte de vormgever zijn schetsen, die daarna door een loonzetter op stroken gezet werden. Die gingen terug naar de vormgever voor het nodige knip- en plakwerk.

Daarna kwam de lithograaf in beeld, die het beeld inmonteerde en de uiteindelijke films voor de drukker maakte. Daartussen zat nog een aparte corrector. Sinds de computer zijn intrede deed, zijn al die functies door elkaar gaan lopen. Alleen het algemene onderscheid tussen de vormgever en de eigenlijke zetter is overgebleven, een verschil dat vooral psychologisch van aard is.

Pinkse schaart zichzelf onder de laatste van de twee categorieën. “Ik ben een zetter, geen vormgever. Ik hou van tekst, en we doen hier dan ook voornamelijk dingen waarbij tekst centraal staat.

“Veel wetenschappelijke uitgaven, studieboeken, en ook rapporten. Maar bijvoorbeeld geen glossy tijdschriften of koffietafelboeken. Natuurlijk doen we wel eens werk voor een vormgever dat wat meer beeldgericht is. In zo'n geval blijft het dan wel bij het afwerken van bijvoorbeeld een boek, waarvan hij dan het eerste hoofdstuk compleet aanlevert. Mijn persoonlijke belangstelling gaat vooral uit naar microtypografie. Aanhalingstekens, kastlijntjes, een goede spatiëring. Zetterswerk, dus. Maar ook het efficiënt verwerken van grote hoeveelheden tekst heeft zijn charme.”

Ook de apparatuur in het zettersbedrijf is veel handzamer en overzichtelijker geworden. Pinkse: “Als je voornamelijk tekst doet heb je in principe aan een redelijke moderne PC met een goed opmaakpakket erop al genoeg. Verder heb je een printer nodig en een zipdrive of een optische schijf, om het spul naar de drukker te krijgen. Het hoeft niet eens een echt zware computer te zijn, tenzij je veel met foto's en andere illustraties doet. En nu elke doorsnee printer de 600 dpi (dots per inch) haalt, kun je daarmee ook heel goed uit de voeten. Een scanner kan praktisch zijn, en misschien een ISDN lijn. Aanleveren per ISDN is iets dat in opkomst is, maar heel wat drukkers blijken er in de praktijk nog niet echt mee om te kunnen gaan, ook al zeggen ze vaak van wel.”

Levert die lage investeringsdrempel niet het risico op dat de markt verziekt wordt door hobbyisten en beunhazen met een pc op zolder, die fluks een bord 'zetter' op de deur spijkeren? Pinkse merkt daar niets van. “Die mensen zullen er vast wel zijn, maar opdrachtgevers komen wel van dat soort experimenten terug als ze een keer hun neus gestoten hebben. Beter gereedschap betekent niet dat deskundigheid overbodig geworden is. Eerder het omgekeerde. Waar vroeger vier, vijf mensen elk hun specifieke ervaring en deskundigheid op een afgeperkt stukje van het traject richtten, moet die ene zetter van nu overal verstand van hebben, juist doordat die strakke functiescheidingen zijn weggevallen. Er kijken domweg minder mensen mee, zodat je verantwoordelijkheden groter zijn geworden. En dan nog. Je moet toch op zijn minst de grafische conventies kennen, zelfstandig dingen als kop-hiërarchieën of verspringende nummeringen in de gaten kunnen houden, en goed kunnen spellen wil je in dit vak een kans maken. Het draait om nauwkeurigheid, discipline en overzicht hebben. Dat krijg je niet van een bordje op de deur.”

Dat er minder mensen aan een productie te pas komen heeft ook ingrijpende gevolgen voor opdrachtgevers: “Het is veel belangrijker geworden dat de binnenredactie of de productiebegeleider bij de opdrachtgever de boel actief goed organiseert. Ik werk meestal voor grote professionele uitgevers, en daar weten ze meestal wel van wanten. En er zitten ook heel wat producten tussen waarvan geregeld nieuwe, bijgewerkte edities uitkomen, bijvoorbeeld jaarlijks. Daar kun je zelf veel aan de efficiëntie doen. Immers, als ik zorg dat ik het materiaal schoon aanlever, dan weet ik zeker dat ik het de volgende keer ook als basismateriaal schoon terugkrijg.

“Maar soms krijg je haastklussen. En als dan de organisatie bij de opdrachtgever niet klopt, gaat het mis. Zoals die keer toen een hele serie ineens klaar moest. Bleek dat het spul eerst langs een correctrice gegaan was, en pas daarna naar mij toe kwam. Daarna heeft er helemaal niemand meer naar gekeken. Tja, dan krijg je dus een product vol afbreekfouten en zo. Zonde van het werk.”

Over haastwerk gesproken, Pinkse werkt in heel kleine bezetting. Levert dat nooit capaciteitsproblemen op? “Nauwelijks. Opdrachten zijn zelden meer dan een paar werkdagen groot, dus we zijn redelijk flexibel. En komt de nood aan de man, dan is er een speciaal uitzendbureau voor grafisch personeel. Ik heb het nog nooit nodig gehad.”