De mens reist de wereld plat; De tekeningen van Thierry de Cordier in het Kröller-Müller Museum

Vanonder zijn bed haalde Thierry de Cordier nooit eerder getoonde tekeningen tevoorschijn voor een tentoonstelling in het Kröller-Müller Museum. Op de Biennale in Venetië staan zijn beelden van aarde, inkt en eieren. Een gesprek met de Belgische kunstenaar: “De ene mens doet aan sport, de ander maakt kunst, zoals wij vroeger allen aan het gebed deden.”

Tot 26/10 Museum Overholland in Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo.

Hij wordt een heremiet genoemd, een mysticus, een filosoof. Een romantische zonderling, die zich van de mensen, de steden en de tamtam van hun vooruitgang heeft teruggetrokken. Hij zou ergens in de wildernis bivakkeren als een doorgewinterde monnik die de oppervlakkige en onrechtvaardige wereld liever laat voor wat hij is.

In die afzondering maakt de Belgische kunstenaar Thierry de Cordier, want over zijn imago hebben we het hier, droevige beeldhouwwerken, samengesteld uit aarde, vodden en alles wat daartussen zit. Ze zijn letterlijk ontrukt aan dediepzwarte, vruchtbare voedingsbodem. Een naakte, korstige materie, in vormen 'geperst' die landschappelijk kunnen zijn, erotisch of diep-religieus.

Diezelfde Thierry de Cordier (42) heeft ook zijn overpeinzingen gepubliceerd. Twee boekjes waarin hij gestaag naar de betekenis van zijn schrijven graaft. In spiralen van gedachten filosofeert hij over zijn levenswijze en hij vraagt zich af hoe het verder moet, met God, de buurman, de wereld en de intuïtie waar de mens zo moeilijk een helder zicht op kan krijgen.

En dan ontstaan er op weer andere, niet al te vlekkeloze papieren ook nog eens tekeningen, zoals Zelfportret als Aardappel. Een virtuoos geschilderd stilleven van bijna niets. De titel wordt, gezien dat landelijke isolement van de kunstenaar, gemakshalve graag letterlijk opgevat. Samen met zo'n vijftig nooit eerder tentoongestelde bladen hangt dat portret van die ene aardappel die de pruisisch-blauwe nacht is ingerold, nu in het Kröller-Müller Museum.

Al die werken komen uit Museum Overholland, de tekeningenverzameling van de zakenman Christiaan Braun. Dat museum zelf is destijds door de gemeente Amsterdam weggepest van het Museumplein. De collectie is bij tijd en wijle te gast in andere musea. Vorig jaar was dat in het Teylers Museum in Haarlem. Dit keer dus in Otterlo, waar Braun de tentoonstelling zelf heeft ingericht.

Pas vorig jaar stond De Cordier Braun toe een paar bladen aankopen. Die had negen jaar geduld gehad. En inmiddels is afgesproken dat in de toekomst alle tekeningen waarvan De Cordier afstand kan doen, zullen opgaan in Museum Overholland. “Braun heeft mij de stuwing gegeven om mijn tekeningen af te maken. Ik verkeer nu in de ideale omstandigheden dat ze bij elkaar blijven”, aldus De Cordier. “Ik wil niet zo maar ergens tegen een bakstenen muur drie van mijn bladen zien hangen. Het zijn kleine stukjes van mezelf die tezamen een beeld vormen.

“Menselijke relaties zijn broos. En soms is de relatie met Braun zo intensief dat ik me wel eens afvraag of die gedoemd is te mislukken. Hij beschermt me, hij begrijpt het als ik zes maanden niet teken. Hij is niet mijn goeroe, ik ben oud en wijs genoeg. Maar het is prettig dat wij bij een ontmoeting elkaar niet hoeven af te schillen. Wij verdwijnen meteen in de essentie.”

We spreken elkaar in het landschap dat opschepperig de 'Vlaamse Ardennen' heet. Lieflijke glooiingen, die minder bosachtig zijn dan de echte Ardennen. Een verscholen laantje, voorbij het dorp, hobbelt onverwachts een dal in. De bocht om, en na de klim van een grindpad ligt daar het laatste huis met zijn aangeharkte theerozen. Verderop in de tuin ontnemen ongeschoren heggen het zicht op een houten barakje, waar de kunstenaar “als een mijnwerker de dingen naar boven haalt”.

Op deze plek mocht De Cordier, negen jaar geleden en failliet, voor een habbekrats de ruïne van een boerderij huren. Met zijn vrouw en twee zonen viel in Gent niet rond te komen. Waar koeien overwinterden, schemert een keuken; een lange, oude tafel, een open haard, een stapel houtblokken. “'s Winters heerst hier warmte en geborgenheid, en als het goed weer is stappen we naar buiten”, vertelt de kunstenaar terloops; alsof iedereen met een kale keuken en wat alkoven tevreden kan zijn. Wie hier zoekt naar kunstwerken, tijdschriften, boeken en andere afleiding om 'bij de tijd te blijven', vindt ze niet.

Pergola

Als Thierry de Cordier inderdaad zo'n zonderlinge monnik is, dan zou je voorgoed een Vlaams klooster in willen trekken. Er wordt meteen stevig gerookt en volop rode wijn gedronken. Onder een pergola van witte bruidsluiers kan de kunstenaar met royale gebaren vertellen, over zijn jeugd, over de snelle gedateerdheid van het nieuwe, over de plaag van conservatoren, en natuurlijk over zijn tekeningen.

Met dezelfde stelligheid als waarmee hij praat, zwiept hij zijn zwart-grijze haren naar achter. Zelfs als hij in de lach schiet, houdt zijn blik iets ernstigs. De groeven in zijn voorhoofd maken hem ouder dan 42 jaar. “De boer die hier op het land werkt, zal het wel abnormaal vinden dat ik vijftien uur naar zo'n tekening zit te kijken. Denkt u niet?” Een reactie is niet nodig, we zijn al bij 'het wereldbeeld van de peer' beland.

De Cordier vertegenwoordigt dit jaar België op de Biennale van Venetië. Het paviljoen met negen van zijn donkere beelden kreeg een eervolle vermelding van de Biennale-jury. De beelden staan fier tussen de kraakwitte wanden; van een forse, gespannen vrouwenbuik tot een helmachtig observatorium, dat als een twee meter brede privé-bunker alle pottenkijkerij uitsluit. Zelfs het Klaagmuurtje, een aaibaar stootblok, herinnert nog aan de rondingen van een menselijke gestalte.

Hun rudimentaire verschijning en hun net zo rudimentaire materiaal sluiten pathos en pseudo-complexiteit uit. Wat we zien, is wat de maker zelf heeft doorleefd. Daarom kan hij een bonkig beeld aanreiken als Object om het hoofd tegen te slaan - en “om het hoofd over te breken”. Het consequente zwart verwijst naar de aarde, als bron van alle leven, maar ook naar de monochrome, Chinese landschapsschilderkunst. “Ik gebruik diezelfde ontkleurde manier van werken. En dat zwart is beslist geen beperking. Wist u dat er wel tweeduizend zwarten bestaan?”.

De Cordiers beelden lijken eeuwenoud, maar ook van vandaag. Hun vertrouwdheid is hun raadsel. Hout, rubber, textiel, aardewerk, een plastic emmer, urine, haar, inkt, eieren, rode wijn, motorolie: “Ik heb er de meest tegenstrijdige materialen in samengebracht om het groeisels te laten zijn”, zegt De Cordier, die diezelfde materialen niet of nauwelijks zichtbaar in het aards geheel laat opgaan. Alleen modieuze, kunstkritische sarcasten zullen zich grappend van deze beelden afmaken. En dat is met verve gedaan.

“Nee, ik zie mezelf bepaald niet als een zonderling die af en toe met zotte brouwsels tevoorschijn komt. Zoiets wordt eens een keer gepubliceerd, daarna klakkeloos overgenomen en het kost jaren om die beeldvorming kwijt te raken. Ik lijk heel droevig, maar misschien ben ik wel een zeer levendig persoon. Kunstenaars die rationeel ogend werk maken, zijn vaak gevoelige, sentimentele mensen. In expressionisten gaat niet zelden een koude geest schuil.

“Ik heb me hier teruggetrokken van de mensen om juist beter met hen in contact te blijven. In deze tuin, omgeven door drie bulten, kan ik als individu de wereld een beetje leren begrijpen. Moet ik daartoe de bergen, de zee, de Documenta van Kassel bezoeken?

“De mens gaat tegenwoordig steeds meer naar buiten, hij reist de wereld plat. Hij doet van alles om liever niet met zichzelf te worden geconfronteerd. Men denkt steeds meer te moeten lezen om steeds meer te moeten weten. Ik geef me liever over aan het eigen experiment, aan mijn intuïtie en aan mijn innerlijke informatiebank van ervaringen, emoties en lectuur. Af en toe lees ik een stukje over filosofie en wetenschap, verder niets. Ik ga ook niet naar tentoonstellingen. En tòch voel ik me zwaar en rijk.

“Mijn werk is dus geen socio-maatschappelijke onderneming en ik houd me evenmin bezig met intermenselijke relaties. Die los ik hier thuis wel op. Ik gebruik de kunst als instrument om antwoorden te vinden, om beter te leren leven. De ene mens doet aan sport, de ander maakt kunst, zoals wij vroeger allen aan het gebed deden. Mijn schrijfsels zijn voor mij heel belangrijk, maar ze komen te laat, ze zijn volstrekt zinloos. Toch voel ik me af en toe geroepen om ook als zondagsdenker wat geestelijk voedsel aan te voeren. Het probleem is alleen dat er om me heen geen geestelijke honger heerst.

“Veel beeldende kunstenaars van nu zijn verstedelijkt, en dat voel ik als ik naar hun werk kijk. Vroeger kwam de cultuur uit de natuur voort, en dan heb ik het niet over plantjes en bijen, maar over het wezen der dingen. De cultuur van nu ent zich op de cultuur die er aan voorafging, en daardoor ontstaat een kunstmatige context. Die kunstmatigheid ligt niet aan het materiaalgebruik, zoals video's of websites, maar aan de benadering van de kunstenaar.”

Incident

De Cordier volgde de schilderopleiding aan de Gentse academie, voerde een paar performances uit en keerde zich van de kunstwereld af. Een jaar of tien geleden raakte zijn werk in een stroomversnelling. Een pijnlijk incident - menig beeld en blad verwijst ernaar - ligt eraan ten grondslag.

Het gebeurde in 1988. De Cordier plaatste in Zuid-Frankrijk in het kader van een kunstroute een beeld bij een kerk, ergens in een hooggelegen dorp met een dubbele vestingwand. Het heette Lijdensvanger, een stevig geaarde Christus-figuur, die een balk vasthoudt. Deze twintigste-eeuws equivalent van de vroege, gekruisigde Christus moest wat dichter bij de mensen staan - bijna op ooghoogte. Maar het dorp pikte dat beeld niet. Er werd een open brief aan de kerkmuur opgehangen en De Cordier droomde er 's nachts van belaagd te worden.

Een nacht later hebben de dorpelingen er inderdaad grondig mee afgerekend. Van de Lijdensvanger lieten ze een stomp in de grond achter. De rest werd door een gat in de vestingwanden gesmeten. Beneden, op de vuilnisbelt, vond De Cordier alleen de gave rug terug. “Van dat souvenir heb ik een tekening gemaakt, een klompvorm, en later is er een arm bijgekomen. Uiteindelijk is die rug uitgegroeid tot een vertrek, een container, een baarmoederlijk vat. De Rug als stootblok, onverschillig voor de dingen zelf, niet de kleine onverschilligheid die op straat loopt. Nee, de Onverschilligheid van de Onthechting.”

In het Kröller-Müller Museum is nu te zien hoe een rug uitdijde tot een privé universum. Hier hangen in inkt en gouache De Cordiers verborgen gedachtenspinsels. Ze voeren je mee naar zijn nachten, angsten en fantasiën. Hier vallen merkwaardig genoeg ook de beelden, die we verspreid over de jaren, verdwaald in musea, tegenkwamen, precies op hun plaats.

Verwacht van deze Vlaming geen vlotte schetsjes. Hij keek dondersgoed hoe het maanlicht over een heuveltje of een inktvlek strijkt, hoe week het lijf van de regenworm kan zijn en hoeveel verdriet een 'man van smarten' moet verdragen. De huid van zijn gepenseelde peer is bijna te dun om te schillen en een wolk staat net zo grijpbaar aan de papieren hemel als ze in werkelijkheid doet.

Bijna alle bladen zijn grondig doorgewerkt. Fouten in de toegevoegde teksten en titels bleven zichtbaar. Ze horen er bij. Het soepele, stuntelige of schoolkind-achtige handschrift meldt wat we zien of moeten weten. Het kan een recept bieden voor 'de zoektocht naar het geluk' of een belevenis met een donkere wolk, die 'bij valavond' ineens een klodder diepblauwe inkt kwijlde.

Sommige tekeningen lijken op natuurhistorische manuscripten uit een vergeten museum. Maar op zo'n blad kom je geen aardappel tegen die twee van zijn uitlopers als beentjes heeft opgetrokken om in zichzelf te kunnen wegkruipen. Of een regenworm met een pruikje, een ander 'ego-loos' Zelfportret, die in de stille diepte van de aarde is weggezonken. En neem nu die vagina, toegedekt met een puntdakje van benen en bekroond met de eikel van een penis; een grillig organisme, als symbool voor, ja voor wat...: misschien wel voor de herkomst van de mens, of voor diens begeerlijke toevluchtsoord.

Aan zijn tekeningen is De Cordier het meest gehecht. De beste liggen onder zijn bed, want “ik ben geconditioneerd door het volume van mijn woning. De sculpturen die ik maak, irriteren me meer dan dat ze me bevredigen. Zwaar werk, waar slijpschijven en boormachines aan te pas komen. En is zo'n beeld eenmaal ergens opgesteld dan speelt de hele omgeving mee. Maar een tekening staat op zichzelf. Hij mag anekdotisch zijn. Hij is zijn eigen wereld. Hij is een print van het binnenste, een vel carbonpapier tussen binnen en buiten. Een schilderij kan vals zijn, een tekening is alleen maar verkeerd of mislukt.

“Ik heb nog veel meer bladen. Uit de cyclus 'Vriendelijke groenten' bijvoorbeeld hangt er op die eerste tentoonstelling geen een. Kent u trouwens die angst voor het witte papier? Daar heb ik last van. Daarom smeer ik het eerst in met citroen of koffie, zoals schilders vroeger op het linnen een okeren of bruine ondergrond aanbrachten.

“Dat Zelfportret als aardappel, vertelt natuurlijk niet dat ik een aardappel ben. Als kind beslis je al dat het tapijt in de kamer een eiland is en de tafel een hut. En die verbeelding is nog steeds onuitputtelijk. Ik schrijf of teken over een droomtuin, een gevarentuin of een groententuin, maar dat wil niet zeggen dat ik thuis waarachtig in zulke tuinen rondloop.”

“Soms verlies ik bij het tekenen de werkelijkheid uit het oog, en dan nader ik de krankzinnigheid. Nog een kleine stap en het wordt psychiatrisch werk. En daar waak ik voor, want je kunt gemakkelijk in de duisternis van de geest verdwijnen, jezelf murw denken en verbrokkeld raken.”

De simpelste schets die in Kröller Müller hangt blijkt een sleutelwerk te zijn: een cirkel met wat groeisels, van waaruit een schuine lijn naar boven loopt, naar een horizon, naar een menselijk figuurtje. “Dat is mijn wereldvoorstelling. We komen voort uit de eencelligen, uit de aarde, uit die cirkel dus. Langs die lijn heb ik wat visjes getekend, en pas veel verderop is de mens tevoorschijn gekomen. De mens van nu staat tegenover een grote leegte. Daarom reikt dat figuurtje aan de horizon ergens naar, het zoekt hulp, maar het is leeg om hem heen. Naast die opwaartse lijn, heb ik een andere, een dunne, kronkelige lijn getekend. Dat is de weg die ik zelf bewandel - terug naar de cirkel.”

Lange tong

Inmiddels is wel duidelijk dat in die Ardennen geen man woont van kunstcircuits en recepties, van 'ik heb een winkel, ik heb een handel' - om met Gerard Reve te spreken. Die distantie heeft zo zijn redenen.

“Het kunstenaarschap is een carrière geworden. Veel collega's winden zich alleen nog op als ze niet aan tentoonstellingen mogen deelnemen. Verder is er nooit meer een probleem. Want men hoort tegenwoordig nergens mee te zitten, een vorm van hypocrisie die me zeer dwars zit. Al gaat men met een lange tong naar zijn werk, er moet de hele dag geglimlacht worden. En ook kunstenaars mogen geen lastposten zijn. Vragen als 'waarom ben ik hier?' en 'waar ga ik naar toe?' dient men evenmin te stellen.

“Ik hoef geen carrière te maken en ik ben ook geen huurling. Sommige galeries en conservatoren zetten hun tanden in je vast, slingeren je in het rond, zoals roofdieren hun prooien. Ze hebben je nodig voor hun eigen constructies. Ze bellen me op: 'Mijnheer, ik maak iets over Bloed en Wonden. U heeft ook iets over Wonden. Wilt u dat zo snel mogelijk opsturen?'. Op zulke eisen weiger ik in te gaan. En dan ben je een lastig man, een ruziezoeker.

“Als kind al wilde ik eerlijk zijn met mezelf. Want als ik iets tegen mijn zin doe, ben ik vals. Dat oprecht-zijn is geen verlangen, maar een noodzaak. Als kind trok ik ook vaak weg. Mijn vader was ziek en als ik mijn kans schoon zag ging ik vissen, desnoods zonder aas. Verder hield ik me thuis bezig met architectuur, plannen tekenen, maquettes maken van moderne huizen op palen, om te ontsnappen aan de lelijkheid van Vlaanderen.

“Zolang als me kan heugen houd ik van verfpotten en borstels. Een kunstboek van mijn broer zette me destijds op het spoor van de academie. Van mijn moeder moest ik landbouwtechnisch ingenieur worden. Ik ben toen stiekem naar de academie gegaan, de enige maal dat ik mij tegen het moederlijk gezag verzette. Ik schilder trouwens nog steeds.”

Die schilderijen, 'Vlaamse monochromen', zoals De Cordier ze noemt, krijgt niemand voorlopig te zien, zoals men ook moet wachten op zijn dichtbundel, en op de dertien publicaties die op stapel staan. In de verre toekomst moeten al die boeken in één enkel werk worden samengebald. “Elk medium heeft zijn grenzen en ik neem er gebieden bij om me niet gehandicapt te voelen. Uiteindelijk hoop ik de innerlijke rust te vinden. Op de dag dat ik geen kunst meer hoef te maken, ben ik bevrijd en onthecht. Voorlopig ben ik nog in de war.”