De economie van de kunsten; Alles van waarde is te betalen

Arjo Klamer (red.): The Value of Culture. On the Relastionship between Economics and the Arts. Amsterdam University Press, 243 blz. ƒ 79,50 (geb.) ƒ 54,50 (pbk)

U herinnert zich het verhaal van de wetenschapper die vlooien bestudeerde. Hij zette een vlo op tafel, zei 'Spring!' en de vlo sprong. Hij trok de vlo één poot uit, zei 'Spring!' en de vlo sprong. Hij trok de vlo alle poten uit, zei 'Spring!' - de vlo sprong niet. Welnu, concludeerde de wetenschapper, het staat wel vast dat een vlo wanneer men hem de poten uittrekt om vooralsnog niet nader achterhaalde redenen doof wordt.

Boze tongen beweren dat dit verhaal model staat voor de praktijk van de economische wetenschap: economen reduceren ons tot rekenmachines, ontdoen ons van idealen en diepere gevoelens, om vervolgens te concluderen dat we alleen maar door eigenbelang gedreven worden. Economie is een harteloze wetenschap, waarin liefde niet telt en romantiek verdwijnt in een nutscurve. Maatschappelijk engagement wordt door economen stelselmatig omgetoverd tot egoïsme, of zoals Ruby Wax het onlangs formuleerde: 'the selfish luxury of pursing moral principles'. Dezelfde boze tongen beweren dat economen om al deze redenen weinig kans maken op de huwelijksmarkt. Als economen meer ziel hadden gehad waren ze wel accountant geworden, schrijft de econoom Robert Frank, en dat had ze een stuk aantrekkelijker gemaakt.

Wie deze kritiek op de economische wetenschap kent, houdt zijn hart vast wanneer economen zich met kunst gaan bemoeien. Is kunst niet bij uitstek liefdewerk, een aangelegenheid van mensen die hun ziel nooit zullen verkopen, die schoonheid verkiezen boven eigenbelang? Kunst is onbetaalbaar, en kunstenaars moet je liever niet beledigen door ze te vergoeden, die doen uit principe alles voor niets. Karel van de Graaf begreep dit heel goed toen hij Mathilde Santing ooit vroeg om op te treden in zijn programma, zonder haar te betalen: door te zingen maakte ze immers 'reclame voor zichzelf'. En zo is dat, in het algemeen valt het meeste te verdienen met gedrag waarmee je géén reclame maakt voor jezelf - in Nederland krijgen managers wegens gebleken ongeschiktheid een gouden handdruk van 35 miljoen en in Rusland worden de maffiabazen begraven in kristallen doodskisten, onder een grafsteen van 64.000 dollar. Kunstenaars zijn daar te goed voor. Er is, kortom, een spanning tussen de gedachtewereld van de economen en de gemoedsgesteldheid van de kunstenaar. Wanneer economen zich bezighouden met kunst is er al snel geen sprake meer van authenticiteit en integriteit, maar van marktwaarde en economische efficiëntie, van productiviteit en winst-optimalisatie. 'Het perspectief van de econoom is niet erg inspirerend wanneer je haar toepast op de wereld van de kunst,' zegt Arjo Klamer voorzichtig in The Value of Culture, en hij voegt daaraan toe dat marketing en management niet de juiste wegen zijn tot het goede leven. Kunst, kinderen en vriendschap zijn geen onderwerp voor economische calculatie - de ouders die hun zoon per advertentie gelukwensten met zijn diploma en daaraan toevoegden 'By the way, you owe us 213.000 dollar' moeten een grapje hebben gemaakt.

Arjo Klamer is hoogleraar in de economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit, en samensteller van The Value of Culture, een verzameling verhandelingen van economen, filosofen, kunstenaars en historici over de relatie tussen de economische wetenschap en de kunsten. Je zou denken dat Klamer met zijn huivering voor een strikt economische benadering van kunst weinig heil zou zien in een boek over het onderwerp, maar er zijn toch problemen die om nadere beschouwing vragen. Zo is de belangrijkste discussie die in het boek wordt gevoerd de immer actuele vraag of de overheid met subsidies de kunst moet steunen. De meeste auteurs die een bijdrage aan de bundel hebben geleverd zijn geen voorstander van overheidssubsidie. Nu zouden zonder overheidssubsidie niet alleen de kunsten maar ook de vliegtuigindustrie,de landbouw, Philips en het gehele Midden- en Kleinbedrijf raar opkijken, maar er bestaat een algemene overeenstemming dat het voor een kunstenaar schaamtevoller is om subsidie te ontvangen dan voor een topmanager of een autohandelaar. Ook in de analyses van de bijdragende auteurs weegt de overeenkomst met andere bedrijfstakken niet zwaar, meer aandacht gaat uit naar de vraag of kunst misschien gezien moet worden als public good. Indien kunst, evenals gezondheidszorg en vuurtorens, een publiek goed zou zijn, dan zou het voor de hand liggen dat de overheid de kunstsector in belangrijke mate financierde. En als de mannen van Nederland zouden ophouden hun vrouwen te slaan dan scheelde dat de Nederlandse overheid 332 miljoen gulden, waarmee zij de kunstsector met groot gemak zou kunnen financieren.

Public Bad

Er zijn niettemin argumenten te verzinnen waarom de kunst niet als publiek goed beschouwd moet worden. Het beste argument komt van de economen Joseph Cordes en Robert Goldfarb die kunst opvoeren als Public Bad. In 1982 werd in New York op het plein bij de Jacob Javits Federal Building een beeldhouwwerk van Richard Serra geplaatst: de Titled Arc. Volgens The New York Times was dit kunstwerk hoogst waarschijnlijk 'the ugliest outdoor work of art in the city'. Het kunstwerk stond bovendien erg in de weg. Ambtenaren die in de Jacob Javits Federal Building werkten, wilden graag tussen de middag hun boterhammen eten op het plein, in de zon. Serra's kunstwerk nam die zon weg, en bedierf het uitzicht en de eetlust van alle pleinbewoners. Het verweer van Serra tegen de oplaaiende kritiek luidde dat hij als kunstenaar altijd reageerde op zijn omgeving. Op de afschuwelijke lelijkheid van het gebouw had hij gereageerd met de afschuwelijke lelijkheid van zijn Titled Arc, om zo zijn bezwaar tegen de omringende architectuur duidelijk te maken. Dat hij met deze homeopathische kunstopvatting de gebruikers van het plein had beroofd van het enige plezier dat zij nog van hun omgeving hadden, was voor verdedigers van de schone kunsten absoluut niet aan de orde. Pas na negen jaar, na veel discussie en lange rechtszaken, werd het kunstwerk afgebroken. Hoewel gefinancierd met gemeenschapsgeld, had dit werk meer het karakter van public bad dan van public good, concluderen Cordes en Goldfarb; kunst kan ook negatief nut opleveren. En wie ooit op het terrein van de Katholieke Universiteit Brabant in het aldaar geplaatste kunstwerk is gevallen en daarbij zijn been heeft bezeerd, zal met deze wetenschappelijke analyse van harte instemmen.

Nu is zo'n enkel voorbeeld nog niet voldoende reden om kunst het etiket 'publiek goed' te onthouden. De discussie in The Value of Culture gaat dan ook grotendeels over de waarde van kunst, en over de vraag of de bijzondere waarde van kunst aanleiding geeft tot een bijzondere behandeling door de overheid en de economische wetenschap. Het meest rigoreuze, negatieve antwoord hierop is dat kunst een product is als alle andere, en dat de markt de meest aangewezen plaats is om haar waarde vast te stellen. Maar dan blijkt de kunstmarkt toch weer anders te werken dan alle andere markten - althans het gedrag op de kunstmarkt is sterk afwijkend. Econoom en kunstenaar Hans Abbing geeft in zijn bijdrage een antropologie van het kunstbedrijf waarin hij laat zien dat onderhandelingen over kunst in het algemeen weinig zakelijk worden gevoerd. Verhoudingen tussen kunstenaars en handelaren zijn haast feodaal te noemen: ze berusten grotendeels op generositeit, op afhankelijkheid en het verlenen van gunsten. Een kunstenaar kan lange tijd zijn agent, galeriehouder of uitgever ruimhartig sponsoren door volledig onbetaald te werken, op het moment dat hij voor een project betaald wil worden zal hij op zijn knieën moeten om geld en gunsten af te smeken. Abbings beschrijving van de relatie met zijn eigen kunsthandelaar doet denken aan de beschrijving die de producente van de film Zusje gaf van haar bezoek aan een potentiële geldschieter. Toen deze dreigde af te haken keek ze hem vriendelijk aan en zei: 'Ah, toe nou!?' Het werkte. Omdat Abbing deze bewonderenswaardige strategie echter niet wenst na te volgen is de relatie met zijn handelaar bedrukt. Toch meent ook hij dat deze vreemde economie van de kunsten uiteindelijk in het belang van de beroepsgroep werkt; verzakelijking van de gehele kunstsector komt de kunst niet ten goede.

Zo blijkt tenslotte de spanning tussen de gedachtewereld van de economen en de gemoedsgesteldheid van de kunstenaars niet makkelijk oplosbaar. Weliswaar zijn er in dit boek maar weinig auteurs die de extremen van de hard-boiled econoom en de onvervalste kunstenaar belichamen; het meest uitgesproken zijn de econoom Ruth Towse die onderzoekt hoe kunstenaars hun eigendomsrechten kunnen kapitaliseren en kunstenaar Liesbeth Bik die bekent dat het haar niet uitmaakt hoeveel ze krijgt betaald voor haar werk: 'All that counts is that I can work.' Maar ook de economen die oog hebben voor de bijzondere status van de kunst en kunstenaars die oog hebben voor de economische kanten van de kunsthandel komen niet eenvoudig tot een 'economie van de kunst'.

Stuiver voor een idee

The Value of Culture bespreekt een duizelingwekkende hoeveelheid aspecten, standpunten, invalshoeken en ervaringen, al was het alleen maar omdat het woord 'Culture' in de titel verwijst naar kunst én beschaving, naar ambachtelijkheid én nationale identiteit. De lezer moet daarom iedere mogelijke vooringenomenheid afleggen en gaandeweg zijn best doen om begrippen af te bakenen en problemen te ordenen. Dan blijkt vooral dat er niet alleen spanning bestaat tussen kunst en economie, maar dat er op veel punten grote tegenstellingen bestaan tussen economen onderling. De econoom Towse juicht dat het neo-klassieke paradigma uiterst succesvol is. De econoom De Beus meent dat de neo-klassieke economie niet voldoende aandacht besteedt aan sociale verhoudingen. De econoom Goldfarb stelt dat er het voor een economische analyse niet toe doet of ze wordt toegepast op producten als appels, gezondheidszorg of kunst. De econoom Huttin stelt dat economie een 'Play of Meaning' is, net als kunst. De econoom Amariglio beweert dat er niet zoiets als inherente waarde bestaat. De econoom McCloskey beweert dat we poëzie nodig hebben en films over burgerlijke deugden. Ik zou hier dergelijke discussies wel graag voor eens en voor altijd beslissen, maar ik moet het kort houden. De econoom Possner heeft ooit aangetoond dat bejaarden zoveel praten omdat hun vrijheid niet langer schaars is en dus, economisch gezien, in waarde is gedaald. Om niet de suggestie te wekken dat ik alle tijd van de wereld heb en dat mijn woorden dus strikt gesproken waardeloos zijn, geef ik de definitieve oplossing op alle bovenstaande problemen slechts op uitdrukkelijk verzoek en onder één bijzondere conditie: A penny for my thoughts.