De doorstart

Het failliete Haarlems Toneel wil, zo werd deze week bekend, proberen 'een doorstart' te maken. De curator ziet mogelijkheden om het begrotingstekort van 1,2 miljoen weg te werken in een zogeheten “activa-transactie” van de oude stichting van het gezelschap naar een nieuwe. De terminologie is ontleend aan de wereld van de haute finance, en dat is verwarrend want in deze kwestie spelen andere overwegingen dan puur zakelijke een rol.

Toch stelt ook staatssecretaris Nuis aan zijn medewerking aan de “doorstart” voorwaarden in de zakelijke sfeer. De gemeente Haarlem moet gaan mee betalen aan het gezelschap, de provincie Noord-Holland moet haar bijdrage (50.000 gulden per jaar) verhogen en voorts eist hij waarborgen voor een “goed financieel beleid en een betrouwbaar zakelijk beheer”. Pas als aan deze voorwaarden is voldaan wil de staatssecretaris de tot aan het jaar 2000 resterende overheidssubsidie van negen ton overmaken.

Dat klinkt even redelijk als het is - tot op zekere hoogte. In de brief waarin Nuis reageert op het voornemen van het Haarlemse gezelschap zegt hij “zeer verbaasd” te zijn over de omvang van het tekort “dat over de afgelopen jaren is opgebouwd”. Mij verbaast Nuis' verbazing. Het Haarlems Toneel begon in 1991 zonder subsidie en heeft vijf jaar lang gewerkt met incidentele bijdragen (variërend van 148.800 tot 198.400 gulden per jaar) van het Fonds voor de Podiumkunsten en facilitaire ondersteuning van de gemeente Haarlem. Iedereen weet dat een toneelgezelschap van zo weinig geld niet kan bestaan: daarom kennen we in dit land immers zoiets als een subsidiesysteem. Of er nu wel of niet sprake is geweest van financieel wanbeheer bij het Haarlems Toneel: zo bezien valt het tekort (van gemiddeld 240.000 gulden per jaar) reuze mee.

Nuis' verbazing geldt misschien het feit dat het Haarlems Toneel ondanks de oplopende schulden nog zo lang heeft kunnen doorgaan, alvorens failliet te gaan.

Maar ook die verbazing moet gerelativeerd worden. Een toneelgezelschap is geen puur zakelijke onderneming, het is een instelling die opereert op basis van artistiek-inhoudelijk idealisme en ook schuldeisers beseffen dat. Wil zo'n instelling overtuigen - en in geval van gebleken kwaliteit bij voorbeeld voor subsidie in aanmerking komen - dan is het zaak zo lang mogelijk te laten zien wat zij waard is.

Dat is de ene kant van de zaak, de andere is politiek van aard. Dat de staatssecretaris nu kampt met dit probleem is te danken aan de Tweede Kamer. Die heeft in het najaar van vorig jaar - tijdens de debatten over Kunstenplan 1997-2000 - afgedwongen dat het Haarlems Toneel subsidie ging ontvangen. Die wens was in strijd met het negatieve advies van de Raad voor Cultuur, zoals bekend speciaal ingesteld om artistieke oordelen te vellen, waartoe parlementariërs niet of nauwelijks in staat zijn.

Het lijkt er nu op dat Nuis alsnog kans ziet de wens van het parlement naast zich neer te leggen - op basis van een artistiek oordeel, vermomd in zakelijke overwegingen. Cijfers tonen aan dat de belangstelling van het publiek voor het Haarlems Toneel (veel) groter is dan die voor bij voorbeeld Toneelgroep Amsterdam of Theater van het Oosten. Die groepen wordt echter niet verweten dat ze niet zonder subsidie kunnen bestaan en dat gebeurt terecht niet. Hun werk is immers, naar het oordeel van de Raad, artistiek van belang en zakelijke overwegingen doen er dan niet toe of zijn van ondergeschikt belang. Eenzelfde standpunt zou Nuis in moeten nemen tegenover het Haarlems Toneel.

Dat wil zeggen: óf hij trekt het gezelschap, de wens van het parlement indachtig, met de noodzakelijke welwillendheid vlot óf hij zegt eerlijk, desnoods onder verwijzing naar het oordeel van de Raad, dat het gezelschap artistiek alle moeite niet waard is. Een algemenere les die er uit de moeilijkheden van het Haarlems Toneel te trekken valt, is dat de Tweede Kamer zich voortaan drie keer moet bedenken alvorens het oordeel van deskundigen terzijde te schuiven.