Das Rheingold: het uitzicht op de Ring

Voorstelling: Das Rheingold van R. Wagner door de Nederlandse Opera en het Residentie Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Regie: Pierre Audi. Gezien: 4/9 Muziektheater Amsterdam.

Das Rheingold, waarmee de Nederlandse Opera gisteravond het nieuwe seizoen opende en begon aan een complete enscenering van Der Ring des Nibelungen, is slechts de Vorabend van Wagners vierdelige operacyclus. Daarna komen er nog drie Tage: in januari Die Walküre, in juni Siegfried en pas over een jaar zien en horen we Götterdämmerung in de versie van regisseur Pierre Audi en dirigent Hartmut Haenchen. In de zomer van 1999 volgen vier uitvoeringen van de complete cyclus, die dan ook op tv komt.

Eerst dan, als we de Ring vrijwel aaneengesloten beleven, zal echt duidelijk worden welk verhaal Audi en Haenchen hebben te vertellen, wat we hebben gezien en ervaren in het Amsterdamse Muziektheater dat voor deze voorstellingen is heringericht. Het podium is uitgebouwd in de zaal, tussen het orkest en de zaal bevinden zich loopbruggen van glas en staal. Hoog boven de scène hangen aan weerszijden bakken met publiek in 'adventure seats', zodat de toeschouwers bijna een ring vormen om Der Ring des Nibelungen.

Das Rheingold zorgt nu nog slechts voor een eerste uitzichtspunt, het perspectief waarin we het vervolg zullen zien. Maar dat het slecht afloopt met de goden, die verheugd hun met valse voorwendsels verworven nieuwbouw-Walhalla betrekken, staat vast. Aan het eind van Das Rheingold zegt Loge: 'Ihrem Ende eilen sie zu' en de Rheintöchter zingen: 'Falsch und feig ist was da oben sich freut.'

Aan het slot van Götterdämmerung, zo'n vijftien opera-uren later, zal het Walhalla van de goden in brand staan, aangestoken door de brandstapel met het lijk van Siegfried. Brünnhilde bestijgt dan op haar ros Grane die brandstapel om zich in de dood te verenigen met haar geliefde. De Rijn zal uit zijn oevers treden, de brand blussen en de ring van het gestolen Rijngoud terugkrijgen.

Dan valt het doek en kan het publiek zelf verzinnen hoe het verder zou kunnen gaan. Wordt het na de zuiverende brand en de reiniging door het Rijnwater stil en vredig? Zal de oude aarde, waar de hebzucht en machtswellust heersten ten koste van de liefde, plaats maken voor een nieuwe, betere wereld? Of zal de ring van egoïsme zich weer sluiten, waardoor het zelfde onheil zich herhaalt, omdat de mensheid niets heeft geleerd van deze kwalijke historie?

Pierre Audi, zo blijkt uit Das Rheingold, zal geen gemakkelijk te doorgronden enscenering maken. Hij is niet van plan expliciete duiding te verschaffen, hij is wars van naturalisme, anekdotiek en politieke tractaten, zoals die gebruikelijk zijn sinds de Ring van Patrice Chéreau en Pierre Boulez in Bayreuth in 1976, een eeuw na de wereldpremière van de complete tetralogie. Der Ring des Nibelungen is mythisch en complex, een mysteriespel dat Audi als zodanig juist intact wil laten, al zullen aan het slot ongetwijfeld enige constateringen en conclusies mogelijk zijn.

Das Rheingold in de versie van Audi en Haenchen begint als het bijbelboek Genesis over de schepping van de wereld. In het volkomen duister hoort men het donker grommende voorspel, als Wagners reactie op Die Vorstellung des Chaos, waarmee Haydns Die Schöpfung aanvangt. Slechts het dirigeerstokje van Haenchen is te zien, dankzij een oplichtend puntje, de leid-ster. Dan wordt het langzaam lichter in het heelal - de lampjes in het zaalplafond van Peter Struycken beginnen als sterren te pinkelen en de wereld wordt zichtbaar, verlicht door een stralende zon.

In de vormgeving van George Tsypin is deze aarde een troep, een chaotische wirwar van glasplaten en losse elementen: een toonbeeld van de hedendaagse stroming van het deconstructivisme, alsof hier eerder een enorme ramp heeft plaatsgevonden. Toch kan men nog wel iets in deze deformatie herkennen, zoals de Rijn, een reusachtige schuine glasplaat, waarop de Rheintöchter 'zwemmen'.

De vele, zeer uiteenlopende personages - goden, nimfen, beesten, reuzen en dwergen - worden in de kostumering van Eiko Ishioka niet zozeer als direct herkenbare individuen uitgebeeld, maar eerder archetypisch. De goden zijn gehuld in ruime geplooide antiek-Griekse mantels. De Nibelung Alberich is een misvormde 'alien', zijn broer Mime een insect. De reuzen Fasolt en Fafner zijn dinosauriërs in mensengedaante.

De handeling van Das Rheingold - in geen enkele Wagneropera gebeurt zóveel in zó korte tijd, het rijngoud verandert al drie keer van eigenaar - wordt in grote, niet al te gedetailleerde lijnen verteld. De enscenering is soms nogal taai en saai en doet de meeste personages niet echt karaktervol opleven.

Wotan wordt door John Bröcheler niet alleen acterend maar ook zingend getypeerd als een geboren verliezer. Hij is de voyeur van zijn eigen ondergang. Via projecties zien we wat hij ziet door zijn oog dat hij zichzelf heeft uigerukt en dat nu als een camera van buitenaf functioneert. Het is erg treurig met Wotan gesteld, een anders zo glorieus schallende passage als 'Prächtig prahlt der prangende Bau' klinkt hier zelfs ruïneus.

Alleen Alberich (zeer geanimeerd uitgebeeld door Henk Smit), Loge (een opmerkelijk goed zingende Chris Merritt) en Erda (een indrukwekkend geconcentreerde rol van Anne Gjevang) krijgen een profiel dat ze werkelijk interessant maakt. De vuurrijke scène in Nebelheim, waar Alberich de goudhoogovens bestiert, werkt het onderhoudendst. Alberichs eerste truc met de Tarnhelm, als hij zich in de reuzenworm verandert, is al te doorzichtig. Maar dat Haenchens linkerhand verandert in de pad, is erg leuk gevonden.

De duidelijkste boodschap van deze enscenering is dat de goden klein en onmachtig zijn. Ze voelen zich wel heel wat, zoals Wotan met zijn enorme speer die hij zelf niet eens kan hanteren. De reus Fafner doodt Fasolt ermee. De hamer van Donner hangt in de lucht met een slappe steel, die hem al even onpraktisch maakt. Aan het slot, als de goden naar het Walhalla gaan, zien we ze verdwijnen naar de eeuwig blauwe verten van de onzichtbare hemel, die wellicht een hersenschim is.

Er wordt over het algemeen goed gezongen, maar het opzienbarendst is de muzikale uitvoering onder leiding van Hartmut Haenchen door het Residentie Orkest, waarin helaas de koperblazers al te vaak falen. Haenchen heeft duizenden details in de gedrukte partituur veranderd naar de wensen van Wagner zelf. Maar zijn opvattingen over de compositorische ontwikkeling in Wagners oeuvre zijn voor het resultaat bepalender. Haenchen dirigeert Das Rheingold uitdrukkelijk als een vroeg werk en bewust niet in het licht van wat gedurende vijfentwintig jaar componeren zou volgen. Dus klinkt Das Rheingold hier soms 'Italiaans', ondanks de wens tot tempo vaak nogal langzaam en breed met opeens duidelijk onderscheiden pizzicati. Haenchen laat vrijwel alles zo licht en zacht klinken, dat het resultaat nogal slap aandoet - gemeten naar een traditie, die te lang niet is gehoord in Amsterdam.