Broodjes en witte wijn genoeg; Moderne schilderkunst in Dublin

Ierse schilders komen ruim aan bod op de tentoonstelling 'The Pursuit of Painting' in het het Ierse museum voor moderne kunst, dat is gevestigd een oud militair hospitaal in Dublin. K. Schippers wordt aan de poort opgewacht door twee agenten. “Waarom gaat u niet even naar binnen?” vraagt een van hen: “De president is net weg, anders had u haar een hand kunnen geven.”

The Pursuit of Painting, The Irish Museum Of Modern Art in Dublin; tot 2 november 1997.

Het Irish Museum of Modern Art is gevestigd in een ruim driehonderd jaar oud hospitaal voor militairen. Ruim zeventig jaar geleden werden er voor het laatst soldaten in verpleegd. Als je het aan de rand van Dublin nadert, heeft het wel iets van van een door de schilder Giorgio de Chirico ontworpen gebouw. Het ziet er zo streng uit dat het eerder aan een ministerie van justitie dan aan een ziekenhuis of een museum doet denken. Het heeft maar een verdieping en de gevel is volkomen plat. De toren van een kapel en een groot aantal schoorstenen zijn de stuurse ornamenten. Het reusachtige gebouw, dat vroeger The Royal Hospital Kilmainham heette, moet wel een monument zijn waaraan de nieuwe bestemming niet mag worden afgelezen. The Pursuit of Painting, de naam van de huidige tentoonstelling, is nergens te bekennen.

Een limousine rijdt door de bescheiden poort naar buiten. Er volgen nog enkele wagens met een vlaggetje in een standaard naast de bumper. Onvoorstelbaar dat een bezoeker zich door zijn chauffeur naar een museum laat rijden. Er moet binnen iets aan de hand zijn dat niets met een expositie heeft te maken.

Achter de poort krimpt het gebouw. Vier galerijen vormen een rechthoek om een wijdse vlakte. Met al die bogen en pilaren lijkt het vroegere hospitaal aan de kanten op een klooster.

Het plein in het midden hevelt het naar een kazerne, net of de soldaten die een beetje waren opgeknapt hier elke dag moesten excerceren.

Waar is het museum? Het wordt ook aan de binnenzijde niet met letters benoemd. Die zouden de geschiedenis misschien te veel ontkennen, maar het ligt natuurlijk achter de glazen façade die een stuk of vijf bogen met elkaar verbindt. Daartegenover, helemaal aan de andere kant van het plein, is een steenrode loper voor twee openstaande deuren uitgerold.

Enkele mensen met een glas in hun hand staan met elkaar te praten. In de ruimte achter hen moet het druk zijn. Het geroezemoes van stemmen verwaait over het plein. Twee politieagenten, een man en een vrouw, staan een paar meter van de poort op wacht. Niet keurig in het gelid, maar vrolijk en grappen makend, alsof ze per ongeluk een uniform hebben aangetrokken. Het is vast een officiële bijeenkomst: er ligt een krans op de vlakte.

“Wat is daar aan de hand?”

“Herdenkingsdag”, antwoordt de vrouw.

“Waarom gaat u niet even naar binnen?” vraagt de man. “De president is net weg, anders had u haar een hand kunnen geven.”

“Broodjes en witte wijn genoeg”, vult de vrouw hem aan.

Even later gaan we de vroegere eetzaal van het hospitaal in. Niemand vraagt naar onze uitnodiging. Aan de wand hangen sombere portretten van de vroegere koningen met de Nederlander Willem III en zijn vrouw Mary op een prominente plaats.

Er ligt een programma op een stoel en daaruit blijkt dat de plechtigheden achter de rug zijn. Vandaag worden alle Ierse mannen en vrouwen die in de afgelopen oorlogen of in dienst van de Verenigde Naties omkwamen geëerd. Het is The National Day of Commemoration en die geldt niet voor één bepaalde strijd.

Bijzit

Twee uur later lopen we achter die glazen façade en dan de trap op in The Irish Museum of Modern Art. Een inscriptie leert dat het museum waarachtig al weer door Charles J. Haughey is ingewijd, net als het standbeeld van James Joyce in Talbotstreet en het verbouwde Abbey Theatre een straat verder. De vroegere Taoiseach - Gaelic voor eerste minister - is in opspraak. Hij heeft toen hij nog in functie was 1,3 miljoen pond aangenomen van een warenhuisfirmant om er z'n paarden, kunstcollectie, jacht, eiland en buitenpaleis van te bekostigen. De gever bedong, naar hij zegt, geen speciale gunsten, maar Haughey was sindsdien wat men hier 'a kept man' noemt, een bijzit van een zakenman.

The Pursuit of Painting is een door de Ierse schilder Stephen McKenna samengestelde tentoonstelling. Het is een pleidooi voor het schilderij. McKenna zegt het in de catalogus niet met zoveel woorden, maar het is wel duidelijk dat hij de nieuwe middelen die in deze eeuw zijn vrijgekomen maar pover vindt. Het dringt niet tot hem door dat de keuze van olieverf, voorwerpen, video of film - om enkele voorbeelden te noemen - op zich niets betekent. Een schilderij kan net zo goed mislukken als een werkstuk dat met andere middelen tot stand is gekomen. Wat schildert McKenna zelf? Z'n werk maakt geen deel uit van de tentoonstelling. Toch moet er in dit museum iets van hem aanwezig zijn, anders hadden ze hem niet de vrije hand gegeven. Na enig zoeken vinden we een McKenna-voorstelling van de lerse kust. Dit genrestukje met z'n vele golven, rotsen, kliffen en vogels is zo matig dat The Pursuit of Painting z'n reden van bestaan verliest. Zoals zo vaak met dit soort tentoonstellingen wordt het thema potsierlijk. De bezoeker is ervan bevrijd en hoeft gelukkig geen grote lijn meer in de gaten te houden.

McKenna heeft zeldzame doeken bij elkaar gekregen. Had hij ze maar anoniem opgehangen zonder ze in een persoonlijk keurslijf te dwingen. Het uit enkele particuliere collecties afkomstige werk van Jack B. Yeats, de broer van de dichter W.B. Yeats, ontkomt met gemak aan iedere indeling. Z'n slordige verfstreken hebben zo'n snelle precisie dat het werkelijk is of je een boer z'n paard hoort roepen (Come, 1950) en of een clown je op een eigenaardig vaartuig over het water tegemoet zeilt (De clown van oceaan, 1945).

Zou Haughey met z'n smeergeld werk van zijn landgenoot Yeats hebben gekocht? Ik ben hem nog niet vergeten, zeker niet nu ik tijdens de herdenking in de eetzaal met Charles McLoughlin over hem heb gepraat. “Een beruchte schurk, Charlie”, zei deze oudstrijder die op 6 juni 1944 in Normandië aan land was gegaan. “Hoe kwam hij aan al dat geld voor z'n eiland en die paarden? Dat vroegen we ons steeds maar af.” McLoughlin had in het begin van de jaren vijftig met de toekomstige Taoiseach vaak in het café gezeten.

Die Slaapster uit 1943 is van de nu negenentachtigjarige op schrikkeldag geboren schilder Balthus. Het doek hangt in een van de vroegere slaapzalen van het hospitaal. Een meisje rust met een wang op het kussen van een sofa. Het zijhaar werpt een schaduw op de plek tussen het hemd en het sleutelbeen. Rust op het kussen, niet helemaal, er zit nog iets tussen de wang en de ruwe stof. De punt van haar blouse, zo'n ongekozen uitsteeksel dat je wakend met een vingertik terug zou duwen. In je slaap heb je geen kijk meer op wat door een halfbeweging omhoogschuift en je ongevraagd raakt.

Die McLoughlin kon er wat van. Hij haalde aan een stuk door witte wijn voor ons, broodjes met zalm, worstjes met de scherpste saus die we ooit hadden geproefd. Wel twintig lintjes en medailles waren op z'n blazer gespeld. We vroegen hem of die kleine man daar samen met hem in Normandië aan land was gegaan. Hij had naast het insigne D-Day nog meer versierselen dan McLoughlin op z'n borst. “He did the mines”, was het antwoord in de eetzaal van het hospitaal.

Slordig

Bella en Esther van Lucian Freud komt uit een particuliere collectie. De dochters van de schilder liggen in slordige posities op een leren bank. In een gewone kamer zouden ze negen, tien meter van de bezoeker af zijn. Op die afstand kan het oog het aderveld op de handen en benen niet bereiken. Het blijft een alles omvattend totaal.

Freud gunt de bezoeker meer. Hij schildert de aderen of je ze op een afstand toch van nabij ziet, ook de geaderde tenen van Bella die op een enkel van Esther rusten. Veraf en vlak onder je ogen, die twee altijd gescheiden gezichtspunten maken deel uit van één en hetzelfde beeld.

Dublin speelt in The Pursuit of Painting een grote rol. Vanuit die noordelijke stad heb je, zo schrijft McKenna, een goed uitzicht op wat zich in de rest van Europa afspeelt. Schilderijen van een groot aantal Ierse schilders maken dan ook deel uit van de tentoonstelling. Hun werk, op dat van Jack B. Yeats na, is zo gemiddeld dat het pijnlijk scherp afsteekt bij Gris, de Chirico, Picabia of Freud.

Ik kijk uit het raam van de lange ziekenhuisgang en zie de laatste herdenkers uit de eetzaal komen. McLoughlin is er niet bij. Na Normandië vertrok hij naar Duitsland waar hij meehielp aan het bevrijden van een concentratiekamp. Hij trad niet in details, vertelde vlug hoe hij met z'n divisie in Nederland terechtkwam en in Tilburg een verpleegster leerde kennen. Het leek of hij nog iets wilde zeggen en toch zweeg hij. In die luwte zeiden we dat we naar het museum moesten. Hij trok z'n wenkbrauwen op. Abstracte kunst was aan hem niet besteed.

Zou McKenna het grote verschil tussen de Ieren en de rest van Europa niet zijn opgevallen? De samensteller moet hebben geweten wat hij in huis haalde, toen de ruim zestigjarige Paula Rego haar begin '97 voltooide schilderij De les voor de expositie afstond.

Het werk van de in Lissabon geboren en al jaren in Londen werkende Rego houdt het midden tussen een sprookje en een parodie. 't Is of ze een voorstelling uit Grimm of Andersen citeert. Altijd worden de zwarte kanten hoog opgespeeld. Dit keer zijn vijf potige vrouwen voor een les bij elkaar gekomen. Het is onbekend wat er wordt onderwezen. Er is geen leraar of lerares te zien. De ene vrouw zit luisterend op een emmer. De andere maakt een aantekening. Een derde zit op haar knieën te bidden. Haar ogen zijn open en haar gevouwen handen rusten op een lage lessenaar met een boek. De leerlingen zien eruit of welk onderwijs dan ook aan hen niet meer is besteed.

Nooit geweten dat de Engelse schilder Augustus John ook een zuster had. Gwen John heette ze en het mooiste portret op McKenna's tentoonstelling is van haar. Ik vergeef de samensteller alles en ben hem dankbaar dat hij dit kan laten zien. Het is een portret van Mère Poussepin dat Gwen John in 1920 maakte.

Het grijze habijt met de wijde witte armen is niet stijf. Gwen John heeft de vrouw vlak na een wervelende draai geschilderd. De lucht trilt nog na in de lijnen en plooien van haar kleding of er aan de beweging nooit meer een eind zal komen en ik denk aan de bloedmooie non in de film Samen uit, samen thuis (La grande vadrouille). Samen met Terry Thomas, Bourvil en Louis de Funès laat ze om de weg te versperren tientallen kazen uit de open vrachtwagen rollen. Nooit komt dat habijt nog in de plooi.

Daar staat hij, Charles McLoughlin, halflazarus van de witte wijn, midden op het plein, vlak naast de in het steen geklonken herdenkingsplaquette en de krans. Hij kijkt omhoog, herkent ons, steekt z'n arm op en we groeten hem door het open ziekenhuisraam terug. Nu wenkt hij of we niet even naar beneden willen komen.

Met twee nonnen en rollende kazen in m'n hoofd loop ik met de rest van ons gezelschap de trap af. Wat heeft hij ons nu nog te vertellen? Even later staan we samen met hem midden op het plein. An van der Stek, zo heette de verpleegster. Hij spreekt haar naam na al die wijn zo duidelijk uit dat hij korte tijd Nederlands moet hebben gesproken.

Hij werd verliefd op haar. Ze gingen naar Haarlem waar ze zouden trouwen, maar ze werd ziek en stierf binnen een paar maanden. Hij denkt nog elke dag aan haar en nu heeft hij een vraag. Een vrouw uit ons gezelschap lijkt sprekend op de verpleegster. Mag hij misschien met haar op de foto?

Hij geeft mij z'n toestel. Daar staan ze met achter hen The Royal Hospital Kilmainham en de hele Pursuit of Painting.