Adembenemende roman van Helga Ruebsamen; Verdreven uit de Hof van Eden

Helga Ruebsamen: Het lied en de waarheid. Contact, 395 blz. ƒ 34,90

Niet bekend

Het lijkt erop dat Helga Ruebsamen in haar verrassende en succesvolle verhalenbundel Op Scheveningen (1988) in dit opzicht haar grens had bereikt. Voor haar schrijverschap was het nodig dat ze haar meedogenloos scherpe blik naar binnen richtte, haar inlevingsvermogen losliet op de persoon die ze ooit geweest is, zowel in de oorlog als daarvoor. Het resultaat van die introspectie is geen romantiserend of rancuneus Indisch boek, noch is het een oorlogsboek of een relaas over overleven. Ruebsamen is erin geslaagd een adembenemende roman te schrijven over onherstelbaar verlies.

In vier delen, waarvan het eerste (1938 - maart 1939) met ruim 160 bladzijden het uitvoerigst is, beschrijft Ruebsamen van binnenuit en dus per definitie niet 'historisch betrouwbaar', de belevingswereld van een vierjarig meisje in Nederlands-Indië. Niet voor niets heet dit deel 'In de tuin van Dewi Kesoema'.De tuin staat voor een klassieke Hof van Eden waar het onschuldige, als een prinses levende kind op voet van gelijkheid verkeert met goden in de gedaanten van bezielde bomen, fel stromende beken, exotische dieren en al even exotische volwassenen. Fantasie en werkelijkheid lopen in de perceptie van de vierjarige peuter voortdurend door elkaar. Ze maakt geen onderscheid tussen beide, dus waarom zou de lezer dat wel willen doen?

Uit het paradijs wordt het kind, via een zeereis (deel 2) naar Nederland, verdreven, om na een soort vagevuur (een mistig en koud Den Haag, deel 3) in de hel (deel 4) te belanden. De hel is een boerderij in Zuid-Holland waar ze samen met haar joodse vader onderduikt. Maar voor het zover is, zijn er al zoveel beschadigingen opgelopen en is er zoveel vertrouwen beschaamd dat het kind hoe dan ook reddeloos verloren lijkt. De ruwe verjaging uit haar tropische kinderparadijs heeft de hoofdpersoon een ongeneeslijk en allesoverheersend trauma bezorgd. Tegelijkertijd was en is haar kennis van dat paradijs de voorwaarde om de hel die erna kwam te kunnen verdragen. Ze is namelijk wel degelijk 'de Anne Frank die het allemaal heeft overleefd' en nu, na al die jaren, vraagt ze zich af hoe ze dat gedaan heeft en ten koste van wat.

Ruebsamen schrijft haar verhaal in de ik-vorm en hoewel ze deze 'ik' Louise Benda noemt, laat ze er geen twijfel over bestaan dat het kind in veel opzichten haar alter ego is. Beiden zijn in 1934 in Nederlands-Indië geboren als dochter van een Duits-joodse arts, beiden zijn op 5-jarige leeftijd met hun familie afgereisd naar Nederland, waar zij en haar vader ternauwernood de oorlog hebben overleefd. Helemaal aan het einde van Het lied en de waarheid, als in het dorp waar ze was ondergedoken de bevrijdingsfeesten losbarsten, zet Louise koers naar Den Haag, waaruit ze een paar jaar eerder met haar vader heeft moeten vluchten. 'Achteromkijken deed ik niet meer, ik keek vooruit. Mijn terugtocht begon.'

Aan die terugtocht (naar het paradijselijke Java) had Louise al veel eerder willen beginnen, tijdens de zeereis al, en later gedurende haar verblijf bij haar oma in Den Haag. Een Indisch pleegzusje (een 'donker bastaard-kind' van haar op Bali levende grootvader, dat wegens haar kuren Tinka wordt genoemd) voelde die drang om overzee naar Indië terug te keren nog veel sterker. Gekweld door heimwee voegde zij de daad bij het woord, liep - in het bijzijn van de kleine Louise - in Scheveningen de zee in en verdronk. 'Wij voelden ons steeds vreemder worden. Wij hadden bijna nergens meer zin in. Wij waren al veranderd. (...) Wij speelden nooit meer dat wij weer terug waren. Terug en vroeger waren niet meer van ons', aldus het commentaar van Louise.

Rouw om het verloren paradijs, rouw om het verdronken pleegzusje en om haar joodse grootvader Benjamin, ook al uit eigen wil verdwenen in de golven, vormt de basis van Ruebsamens roman, die zo onbezorgd en vrolijk inzet met de verkenning van het paradijs in Bandoeng. Niet de plek zelf is daarbij in de eerste plaats van belang, maar de vraag hoe het kind er werd gevormd en wat voor sprongen het geheugen moet maken om daarvan iets terug te vinden. Zelf vindt de ik-figuur het geen genoegen uit de vijver van haar herinneringen steeds dezelfde brokstukken op te vissen. 'Er roert zich in deze drab niets dan twijfel en pijn,' schrijft ze. Maar ook: 'Ik kan er evenwel niet aan voorbij.'

Deel 1, het tempo doeloe-deel van de roman voltrekt zich zo traag als het onbezorgde leven van een vierjarige zich maar kan voltrekken: een langgerekte zonnige zomer zonder begin of eindigheid. Stapsgewijs worden de ingewikkelde familieverhoudingen zichtbaar, met onder meer een halfoom die wil trouwen met een halftante, maar dat verpest door overspel met de vrouw des huizes. Louise laveert behendig tussen haar verwende ver-indischte moeder en haar sombere door en door Europese vader. Gelukkig is ze gewend op meerdere niveaus te leven: overdag hoort ze bij 'de witte mensen, 's avonds wordt ze opgenomen door de 'nachtmensen', zoals ze de baboe, de kokki, de djongos en kebon noemt, terwijl ze tussendoor haar dromen heeft en steun vindt bij de goden. Dit leven in een boven- en benedenwereld, switchend tussen droom en werkelijkheid, bewustzijn en onderbewustzijn, is typerend voor veel van Ruebsamens personages en vormt de kern van vrijwel al haar verhalen.

Het lied en de waarheid, waarin vrijwel iedereen een dubbelleven blijkt te leiden, maakt duidelijk dat Louise's vermogen tot zelfontstijging of persoonsverdubbeling haar enige middel is om zich tussen de egoïstische volwassenen, met hun ingewikkelde ruzies en onbegrijpelijk taal, staande te houden. Soms mislukt dat, zoals in de typisch Ruebsamensiaanse scène waarbij Louise haar tante plastisch voordoet hoe haar verloofde zich aan haar moeder heeft vergrepen tijdens een vreemd luidruchtig spel zonder kleren, met ijselijke gilletjes en hevig gesteun. Deze onthulling uit Louises nachtleven veroorzaakt een familiecrisis die de inleiding vormt tot de uitdrijving uit het Paradijs. In maart 1939 vertrekt het gezin - inmiddels aangevuld met een klein broertje - naar Holland en het kan niet anders of Louise zoekt de schuld hiervan bij zichzelf.

Naarmate de wereld van Louise bedreigender wordt, eerst tijdens de bootreis, dan in het drukke joodse huishouden van haar oma in Den Haag, wordt de toon van de roman ingetogener, soberder, angstiger. Aangrijpend is het om te zien dat het kind niet alleen alles wat haar vertrouwd en lief was verliest (haar pleegzusje Tinka en haar oma sterven, haar moeder gaat naar Engeland, haar tante terug naar Java), maar hoe ze bij stukjes en beetjes ook zichzelf kwijtraakt. Als het ten slotte in de winter van 1942 tijd wordt om onder te duiken, vindt Louises vader troost bij het kindermeisje dat hem behalve een schuilplaats voor hem en zijn dochter ook haar bed aanbiedt. Op het moment dat Louise daar achter komt, is haar, naar haar gevoel, alles afgepakt. Om in leven te blijven, splitst ze zich in tweeën - in een ik en een 'slome Louise' - totdat ook dat onmogelijk wordt.

Tien jaar oud en meer lijk dan levend is Louise als ze - het vege lijf gered, maar in de geest gebroken - kan beginnen aan haar terugtocht die uiteindelijk zal leiden tot dit hartverscheurend mooie boek.

Ruebsamen heeft al haar reeds bekende kwaliteiten, haar beschrijvingskunst, haar lichtvoetigheid, haar humor, haar trefzekerheid en haar vermogen om meedogenloos in al haar personages door te dringen, subliem ingezet om Het lied en de waarheid zuiver en overtuigend te laten klinken. Wadend door een poel van herinneringen en niemand sparend heeft ze gezocht naar het paradijs dat ze niet heeft hervonden. De rottende puinhoop die ze aantrof heeft ze niettemin bitterzoet en wonderschoon beschreven.

Uit Helga Ruebsamen: Het lied en de waarheid

Wat er intussen ook allemaal was gebeurd, met de anderen en met ons, nog nooit had iemand beweerd dat de hoop was verloren. Hoop duurde eeuwig.

Mijn vader, die ik voor wijs en machtig hield, vertelde mij nu zomaar, hardop, dat de hoop was verloren en dat hij iets niet kon. Ik begon te huilen, omdat mijn vader geen tovenaar was. 'Zorg jij maar dat je beter wordt.' 'Louise wil dood.' 'Louise wil dood? En waarom dan, Louise, leg dat eens uit.' Het was moeilijk om hem uit te leggen dat niet ik dood wilde, maar dat het kind, dat altijd zo gehoorzaam was en dat iedereen steeds zo graag een plezier wilde doen zich geen raad meer wist.