Voeding; Groente en fruit als preventief medicijn

Het verband tussen gezonde voeding en kanker staat in het brandpunt van de wetenschappelijke belangstelling. Een complex onderzoeksterrein vol met triomfen en valkuilen .

AAN DE RAND van Bilthoven, op een hermetisch afgesloten terrein, staan ze opgesteld: zeven grote tanks met bloedmonsters van veertigduizend Nederlanders. De doorsnee van de tanks is een meter, de hoogte ruim anderhalve meter. De inhoud wordt geconserveerd in vloeibare stikstof bij een temperatuur van min 196 graden Celsius. Verwachte houdbaarheid: twintig jaar.

De toekomst zal moeten uitwijzen of de bloeddonoren - mannen en vrouwen uit Maastricht, Utrecht, Amsterdam en Doetinchem - kanker krijgen of niet. En zo ja, of het ontstaan van de ziekte verband houdt met hun eetgewoonten. De deelnemers aan dit onderzoek werd vooraf een uitgebreide vragenlijst voorgelegd. Maar mocht die onvolledig of onjuist zijn, dan rest altijd nog de spiegel van talloze stoffen in hun bloed. Sommige van die spiegels zijn goede graadmeters voor de voedselconsumptie.

De rode vloeistof werd afgenomen door medewerkers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Universiteit van Utrecht, onder toezicht van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) in Genève. Deze gezaghebbende organisatie vroeg negen Europese landen begin jaren negentig mee te werken aan een onderzoek naar voeding en kanker. Zo'n 450.000 Europeanen stelden zich beschikbaar voor het experiment, dat inmiddels wordt beschouwd als de grootste studie naar de relatie tussen voeding en kanker in de geschiedenis van het kankeronderzoek. In 2003 worden de eerste resultaten verwacht.

“We kunnen in dit stadium weinig zeggen, maar de vooruitzichten zijn positief”, zegt H.B. Bueno-de Mesquita, coördinator Kankerepidemiologie van het RIVM en projectleider van het Nederlandse onderzoeksteam. Als het wetenschappelijke tij meezit, zegt hij, krijgt zijn team begin volgende eeuw meer duidelijkheid over de mate waarin groenten, fruit en vezelrijke producten de kans op kanker aan de luchtwegen en het maagdarmkanaal verkleinen. Ook verwacht hij antwoord op de vraag of fervente vleeseters sneller darm- of alvleesklierkanker ontwikkelen en of overmatig alcoholgebruik resulteert in darm-, borst-, of alvleesklierkanker. Dergelijke verbanden werden in het verleden vaker gelegd door onderzoekers, maar het hoe en waarom is nog onduidelijk.

In 1981 stelden de epidemiologen Richard Doll en Richard Peto vast dat voeding een van de grootste risicofactoren is in de vermijdbare kankersterfte. In hun geruchtmakende boek The Causes of Cancer: Quantative estimate of avoidable risks of cancer in the United States poneerden zij de stelling dat 35 procent van de kankersterfte in de Verenigde Staten kan worden voorkomen wanneer mensen hun eetgewoonten zouden aanpassen. De epidemiologen onderstreepten wel dat die 35 procent hun beste 'schatting' was: de onzekerheidsmarge zou liggen tussen de 10 tot 70 procent.

“Sinds Doll en Peto heeft het onderzoek naar voeding en kanker een enorme vlucht genomen”, zegt Bueno-de Mesquita. Het beeld is volgens hem niet alleen eenduidiger geworden (de eensgezindheid over voeding is groter dan ooit tevoren), maar ook diverser. Daar waar het onderzoek zich destijds vooral richtte op kanker-bevorderende stoffen in de voeding ligt de nadruk tegenwoordig op kanker-beschermende stoffen.

Wetenschappelijk onderzoek heeft sinds het begin van de jaren negentig aangetoond dat de consumptie van groenten en fruit de kans op kanker kan verkleinen. Groenten en fruit zijn belangrijke leveranciers van bijvoorbeeld anti-oxydanten: stoffen die kankerverwekkende stoffen kunnen uitschakelen. Ze bevatten carotenen (natuurlijke kleurstoffen), mineralen, vitamine C en E, vezels en andere bio-actieve stoffen. Bueno-de Mesquita: “Onduidelijk is nog waarom mensen die onvoldoende groenten en fruit eten meer risico lopen om kanker te krijgen. We hopen daar via het bloed van de 450.000 proefpersonen achter te komen.” De verwachtingen zijn volgens de projectleider hooggespannen.

De epidemiologen, voedingsdeskundigen en moleculair biologen die zich buigen over de rol van voedsel komen op hun pad heel wat obstakels tegen. Hun meest basale probleem is dat er meer dan honderd soorten kanker zijn met zeer uiteenlopende oorzaken. Darmkanker bijvoorbeeld is een verouderd begrip; endeldarm-, dunne-darm- en dikke-darmkanker worden inmiddels beschouwd als drie verschillende ziektebeelden. Een bijkomend probleem is de langdurige ontstaansgeschiedenis van de ziekte: soms kan het jaren, zelfs decennia duren voordat een gezwel is ontstaan dat kan worden ontdekt. Dit langdurige proces maakt het moeilijk bij de mens experimenteel onderzoek te verrichten naar de invloed van voeding op het kankerrisico. Daarom maken epidemiologen vaker gebruik van onderzoek met vragenlijsten en vraaggesprekken.

“Neem het onderzoek naar vet en borstkanker”, zegt P.A. van den Brandt, hoogleraar epidemiologie aan de Universiteit van Maastricht. “De relatie tussen vet en borstkanker is een van de meest bestudeerde hypothesen op het gebied van voeding en kanker. Diverse onderzoekers zijn, onafhankelijk van elkaar, tot de conclusie gekomen dat de kans op borstkanker toeneemt bij een hoge vetconsumptie. Zij hebben dat gedaan op basis van dierexperimenten en zogenoemde correlatiestudies waarbij het vetgebruik per hoofd van de bevolking wordt vergeleken met de sterfte aan borstkanker in verschillende landen. Helaas is de bewijskracht van dergelijke onderzoeksmethoden niet groot; dieren zijn tenslotte geen mensen en ook leefgewoonten kunnen per land sterk verschillen waardoor internationale, vergelijkende studies vaker een vertekend beeld geven.”

Inmiddels is uit onderzoek gebleken dat er geen verband bestaat tussen vetconsumptie en borstkanker. Onder leiding van Van den Brandt wordt sinds 1986 de Nederlandse Cohort Studie (NLCS) naar voeding en kanker uitgevoerd aan de Universiteit van Maastricht en TNO in Zeist, mede-gefinancierd door het KWF. De onderzoeksgroep omvat ruim 120.000 mannen en vrouwen van minimaal 55 en maximaal 69 jaar. Net als het WHO-onderzoek is het NLCS-onderzoek een prospectief cohortonderzoek: een groep gezonde mensen (het cohort) wordt ondervraagd over hun eetgewoonten en vervolgens wordt nagegaan wie in de loop van het onderzoek kanker ontwikkelt en wie niet.

Experimenteel onderzoek bij de mens heeft natuurlijk een veel grotere bewijskracht, zegt Van den Brandt, maar is in de praktijk moeilijk uitvoerbaar; zo'n experiment moet zeer omvangrijk zijn, gegeven de lange ontstaansgeschiedenis van borstkanker. Daarbij komt dat alleen bij zeer vergaande reductie van de vetconsumptie een effect kan worden waargenomen. De vetconsumptie moet met ruim driekwart worden verminderd en proefpersonen zouden zo'n dieet meer dan tien jaar moeten volhouden. Het is volgens de hoogleraar dan ook zeer de vraag of de mens een dergelijk dieet kan overleven, want de bevolking in de Westerse wereld is zulke hoeveelheden niet gewend.

Van den Brandt: “De gemiddelde Nederlander krijgt 35 à 40 procent van de calorieën binnen in de vorm van vet. Wij vonden bij het NLCS-onderzoek geen verlaagd risico op borstkanker voor vrouwen van wie de voeding voor minder dan eenderde uit vetten bestond. Critici stelden dat een vergaande reductie van de vetconsumptie wel risicoverlagend zou kunnen werken. Ik acht die kans vrij klein. In samenwerking met Amerikaanse onderzoekers hebben wij namelijk verschillende bevolkingsgroepen gecombineerd tot een populatie van 340.000 vrouwen. Daaruit is gebleken dat vrouwen die 20 tot 30 procent van hun dagelijkse voeding uit vetten haalden geen lager risico lopen borstkanker te krijgen.”

Naast onderzoek naar het verband tussen vet en kanker enerzijds en groenten en fruit en kanker anderzijds wordt ook de - mogelijk schadelijke - invloed van alcohol de laatste jaren steeds meer voor het voetlicht gebracht. Algemeen wordt aangenomen dat er een relatie bestaat tussen alcoholgebruik en de kans op tumoren in de mondholte, keelholte, slokdarm en het strottenhoofd. In combinatie met tabak zou dit effect nog sterker zijn. Toch is volgens de meeste onderzoekers nader onderzoek nodig om tot definitieve uitspraken te komen.

Ook borstkanker wordt sinds kort in een adem genoemd met alcohol. Bij het NLCS-onderzoek werd het mogelijke verband tussen deze twee factoren verder onderzocht. Van den Brandt: “De eerste resultaten wijzen op een toenemend risico op borstkanker voor vrouwen die drie of meer glazen alcohol per dag drinken. Met andere woorden: hoe meer alcohol, hoe groter de kans op borstkanker.” Voor hart- en vaatziekten gaat dat verhaal niet op zegt de hoogleraar, terwijl hij een vel papier uit zijn la trekt. “Kijk, in dat geval hebben we te maken met een verband dat er anders uitziet; als je helemaal geen alcohol drinkt, heb je een hogere kans op hart- en vaatziekten dan als je een paar glazen per dag drinkt. Kortom, we zullen naar een optimum moeten streven: een gematigd alcoholgebruik, voor wat betreft deze twee ziekten althans. Er zijn tegengestelde effecten mogelijk en het zal in de toekomst niet makkelijk zijn om een goede afweging te maken - noch voor het individu, noch voor de wetenschap.”