Uitkomst onderzoek naar armoede: Te weinig huurders vragen om subsidie

DEN HAAG, 4 SEPT. Eenderde van de huurders die recht hebben op huursubsidie, maakt daar geen gebruik van. Als de huursubsidie door alle 900.000 rechthebbenden wordt gebruikt, zou het aantal armen met een kwart afnemen.

Dit staat in de 'Armoedemonitor 1997' van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die vandaag is verschenen. Volgens de onderzoekers is de huursubsidie een van de belangrijkste instrumenten om armoede te bestrijden. Mensen met een laag inkomen zijn veelal huurders voor wie de huur de grootste kostenpost is. Om de koopkracht van de minima te repareren worden bovendien veel extraatjes verstrekt door middel van eenmalige verhogingen van de huursubsidie. Door geen gebruik te maken van de individuele huursubsidie lopen de huishoudens met een gering inkomen jaarlijks zo'n 2.400 gulden mis.

Minister Melkert (Sociale Zaken) noemt de bevindingen van CBS en SCP over de huursubsidie “een waardevolle constatering”. De bewindsman pleit voor meer voorlichting en meer persoonlijke bezoeken aan met name ouderen om hen op het bestaan van voorzieningen als de huursubsidie te wijzen.

Ook het Tweede-Kamerlid Biesheuvel (CDA) wijst voor de oplossing van het niet-gebruik op het belang van goede voorlichting. “Ik kan niets anders bedenken. De huursubsidie moet een aanvraag blijven; dat moeten we niet om gaan draaien”, aldus Biesheuvel. VVD'er Hofstra is het met Biesheuvel eens: “Ik vind als liberaal dat we wel wat aan het initiatief van de mensen mogen overlaten.”

Eén miljoen huishoudens, 16 procent van alle Nederlandse huishoudens, vallen onder de door het CBS en SCP gestelde armoedegrens van 16.000 gulden voor een alleenstaande in 1990. Ruim 240.000 daarvan bevinden zich onder het bijstandsniveau (zo'n 1.000 gulden voor alleenstaanden en 2.000 gulden voor echtparen). Zeven procent van alle huishoudens (432.000) bevindt zich volgens de onderzoekers vier jaar onafgebroken in een armoedesituatie.

De onderzoekers spreken evenwel van “relatieve armoede”, omdat veel arme huishoudens zeggen geen moeite te hebben om rond te komen. Eenderde van de minima zegt moeite te hebben met rondkomen, tegen 7 procent van de overige huishoudens. Een kwart van de minima heeft schulden, terwijl ruim 40 procent een vermogen heeft van meer dan 5.000 gulden.

Armoede blijkt vooral in de grote steden voor te komen. Buiten de Randstad bevinden zich armoedeconcentraties in het noorden en in de steden Enschede, Almelo, Arnhem en Nijmegen.