Tijdschrift Mammie was immers dansen

Een krantenlezer denkt misschien, dat over de dood van Diana na drie dagen alles gezegd en geschreven is. Dus wat moeten de weekbladen, die vier dagen later verschijnen? Nu, dan kent men de wakkere journalisten van onze pluriforme pers niet. Zij vinden steeds nieuwe invalshoeken, en bewijzen daarmee dat er sprake is van een echt, multi-interpretabel koningsdrama.

Frits Müller (HP/De Tijd) vat de hele geschiedenis samen in een prachtige maar onheilspellende tekening: een meisje in babydol rent in haar grote jogging-schoenen over een spoorbaan, achtervolgd door een geweldige zwarte stoomlocomotief. Wat dat monster voorstelt - de pers? het establishment? het leven zelf? - mag iedereen zelf bepalen. Dat is het voorrecht van een tekenaar: hij vertelt de essentie, niet de feiten.

Maar schrijvende journalisten zullen wel met concrete zaken moeten komen. Dat gebeurt in de weekbladen, en het is opvallend dat de toon afstandelijk en kritisch is. Dat is overigens ook waar te nemen in de dagbladen. Pers en televisie hebben zich de eerste dagen mee laten zuigen in een roes van opwinding, rouw en verontwaardiging. Daarna komt, volgens een onduidelijke publicitaire wet, altijd een tegengolf op gang. Zo beschrijft Rik Kuethe in Elsevier Diana keurig als een 'icoon van deugdzame voortreffelijkheid' (wanneer wordt dat woord 'icoon' eens verboden?) maar hij geeft ook een andere lezing. “In die versie verschijnt ze als een coy, eeuwig poserend kindvrouwtje (met bijpassend stemmetje, onophoudelijk giechelend) dat publiekelijk de onschuld zelve speelt maar zich intussen feitelijk overgeeft aan de 'voze geneugten' van de internationale jetset. In die maand voor haar dood was 'mammie immers dansen'.”

En de minnaar van de prinses, de man die haar zo gelukkig schijnt te hebben gemaakt? In HP/De Tijd bericht Evert Schreur dat de verovering van Emad al-Fayed (voor vrienden Dodi, oftewel wormpje) in Egypte als een nationale overwinning werd gevierd. Dat Dodi dankzij geld van pa weinig uitvoerde en niettemin een spoor van onbetaalde rekeningen en ongedekte cheques achterliet, was daarbij geen punt. Dodi was voor de volgens Schreur seksueel gefrustreerde Egyptische mannen een droom: blonde westerse vrouwen, wilde feesten en tenslotte een prinses.

Het zal waar zijn. Maar niet alles wat in de krant stond, was waar, constateert Jan Kuitenbrouwer in HP/De Tijd. Hij verwijt 'de hele Nederlandse journalistiek' cynisme en onzorgvuldigheid. Alle kranten brachten speculaties als feiten. De snelheid van de Mercedes was eerst 150, later 130. (K. wist kennelijk nog niet, dat nu 196 kilometer wordt vermoed). De chauffeur meneer Paul werd eerst als vakbekwaam en betrouwbaar beschouwd, later citeerde Trouw een anonieme bron, die zei dat meneer Paul geen beroeps was. Nog later bleek dat hij wel getraind was maar een alcoholprobleem had. Een andere dubieuze kant van de affaire is volgens Kuitenbrouwer, dat de schuld aanvankelijk en zonder bewijs alleen bij de fotografen werd gelegd. Maar hij spreekt even later zelf over 'zeven gemotoriseerde hyena's' en hun opdrachtgevers, de 'vale gieren'. Ook zonder bewijs, of het moest een uitspraak zijn van de Story-fotograaf Peter Scholten: “Mensen hebben natuurlijk wel hun privacy, maar die fotografeer ik.”

Met deze kritiek op de pers zal hoofdredacteur/directeur van HN-magazine ( Hervormd Nederland) het wel eens zijn. Willem van der Meiden heeft in zijn hoofdartikel een eenvoudig recept: “Maandag kon men de Nederlandse pers verdelen in fatsoenlijk en onfatsoenlijk. Fatsoenlijke kranten hadden een officiëel portret van de verongelukte prinses op de voorpagina. De andere toonden rouwende mensen of wierpen obscure blikken in een tunnel.”

Voor de redactie van Vrij Nederland is deze week het verlies van hoofdredacteur Joop van Tijn aangrijpender, en vermoedelijk veel werkelijker geweest dan alle andere gebeurtenissen in de wereld. Van Tijn was een ongewoon intelligente en fascinerende man - een van de beste, zo niet dé beste, journalist van zijn generatie.