Schreeuw om aandacht

NEDERLAND HEEFT NU al acht jaar dezelfde minister van Onderwijs. Jo Ritzen trad in 1989 aan en is sindsdien, na een narrow escape bij de kabinetsformatie van 1994, gebleven. Hij heeft in zijn ambtsperiode dus al bijna twee lichtingen studenten zien komen en gaan. Afgaande op de toespraken, waarmee de rectores magnifici en voorzitters der universiteiten maandag het academisch jaar openden, is het zicht daarop geen onverdeeld genoegen.

Een kleine greep uit de gedebiteerde kwalificaties van de academische 'jeugd van tegenwoordig'. “Tamme en tamelijk luie hyperspecialistische beroepsbeoefenaren” (Enschede) met een “te plat gereedschapskistje-voor-het-leven” (Groningen) die weliswaar “boekenwijs” zijn (Maastricht) maar daarmee nog geen steunpilaren kunnen zijn voor de noodzakelijke “nieuwe renaissance van de homo academicus” die volgens Maastricht, Rotterdam, Leiden, Enschede, Nijmegen, Amsterdam en Groningen juist nu zo noodzakelijk is.

De retorica waarmee deze zeven universiteiten hun “performance” kracht wilden bijzetten, geeft al te denken. Ze wijst in ieder geval op onzekerheid in de eigen kring die met digitaal jargon moet worden gecamoufleerd. Zal die “excellence op niveau” er wel komen? Als we op de studenten moeten vertrouwen kennelijk niet.

Dat roept twee vragen op. Ten eerste of het inderdaad aan de jeugd van tegenwoordig ligt. Het antwoord daarop is simpel. Elke tijd heeft zijn eigen 'jeugd van tegenwoordig'. Die van deze dagen mag in Enschede dan “tam en lui” zijn en zij moet daarop dan ook kunnen worden aangesproken, deze constatering op zichzelf bewijst nog geen schuld. Want waarom is het zover gekomen? De tweede vraag is dan ook relevanter. Hebben overheid en universiteiten het misschien niet ook aan zichzelf te wijten? Ja, dat hebben ze.

SINDS DE UNIVERSITEIT in de jaren zestig/zeventig haar status als bolwerk van een kleine groep verloor, is het er onrustig gebleven. Al een kwart eeuw wordt de universitaire wereld door een permanente hervormingsmangel gehaald. Nu eens ging het om bestuursmodel of onderwijsprogramma, dan weer om geld en de noodzaak te bezuinigen. Een constante daarbij was het streven om de universiteit niet te laten wegdrijven van de rest van de maatschappij. Wat vroeger een onzinnige vraag was - namelijk of er wel plaats was voor studenten op de arbeidsmarkt - is nu een vanzelfsprekend axioma. Voordat een student aan zijn eerste colleges begint, weten we al wat hij of zij gaat kosten en of de investering per saldo zal worden terugverdiend.

De overheid heeft deze boekhouding jarenlang meer en meer uit handen gegeven. De universiteiten moeten hun eigen inkomstenbronnen zoeken, mogen die zelf aanwenden en hebben ook de mogelijkheid om studenten te weigeren of te verwijderen als ze onvoldoende niveau hebben. Alleen via de inspectie en zogeheten 'visitatie-commissies' heeft het rijk nog enige greep op het curriculum. Onderlinge concurrentie is zodoende de levenshouding geworden, de laatste jaren nog versterkt door het teruglopen van de belangstelling bij scholieren voor een universitaire studie. Weliswaar is de toestroom nu weer gestabiliseerd, maar niet alle universiteiten profiteren daar gelijkelijk van. Waar Maastricht de groei van 17 procent niet kan bijbenen, ziet de meest prestigieuze alma mater van Nederland (Leiden) de studenten massaal (bijna vijftien procent) voorbijlopen. Dat spoort met een enquête die de werkgeversorganisatie VNO/NCW heeft laten verrichten. De brede klassieke universiteiten, die de pretentie hebben op te leiden tot 'homo academicus', blijken veel minder in trek te zijn bij de werkgevers dan meer toegepaste faculteiten.

COMPETITIE KAN weldadig zijn. Ook de universiteit kan het zich niet veroorloven vanuit de ivoren toren naar beneden te staren. Aan een “wonder van onveranderlijkheid”, zoals voorzitter Gevers van de Amsterdamse universiteit het maandag formuleerde, heeft bijna niemand behoefte. Maar als concurrentie ertoe leidt dat de universiteiten eerst en vooral elkaars marktaandeel proberen te veroveren, dan worden de problemen alleen maar verplaatst en blijft de universiteit van sanering naar sanering hollen. Bovendien suggereert de concurrentie-metafoor dat de zin van wetenschap en dus ook wetenschappelijk onderwijs exact zijn te berekenen, net zoals een accountant een balans opmaakt. En zo gaat het in de wetenschap, zoals bekend, vaak juist niet. Wat nu tijdsverspilling lijkt, kan overmorgen een geniale tijdsbesteding worden geacht.

Zeker nu het economisch goed gaat met Nederland is er tijd en energie voorhanden om het academische klimaat iets diepgaander onder de loep te nemen. Al was het maar omdat groei geen wet van Meden en Perzen is. Waar de kracht van Nederland in de 21ste eeuw ligt, weten we niet. We weten wel dat de perspectieven meestal niet louter daar liggen waar we ze nu zoeken. Bij het verkennen van dit braakliggende terrein speelt de wetenschap een cruciale rol. De universiteiten zijn daarbij het voorportaal. Als het om deze functie gaat, heeft zich in Zoetermeer de laatste decennia een zekere argeloosheid ontwikkeld. Politieke kwesties, zoals het beurzensysteem en de daarmee verband houdende OV-jaarkaart, zijn er altijd hoger op de agenda geplaats. Met zijn voorstel om meer beurzen te geven voor studies in het buitenland, heeft minister Ritzen er blijk van gegeven dat hij deze onevenwichtigheid nu onderkent. Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken. Maar als het blijft bij stipendia voor duizend excellente studenten is dat wel geoorloofd. Het is aan de universitaire wereld om het initiatief van Ritzen te beantwoorden. Performance is immers meer dan marketing.