Met Internet wordt ons dorp de wereld

Internet-bedrijven proberen steeds vaker speciale doelgroepen te bereiken. Dat is onvermijdelijk, gelooft Hans Steketee, maar het hoeft niet tot wereldvreemdheid te leiden.

In het tijdperk van global communications is de eigen navel het favoriete onderwerp. Buitenlands nieuws op televisie en op krantenpagina's raakt in de verdrukking, omdat het grote publiek er niet meer in geïnteresseerd zou zijn. Het einde van de Koude Oorlog heeft nationale onderwerpen opgewaardeerd en de buitenwereld veranderd in een ondoorgrondelijke en afstotende reeks nuances tussen het vertrouwde wit en zwart, luidt een veelgehoorde verklaring. Daarom brengen de grote tv-netwerken en kranten in de Verenigde Staten - waar deze trend het best met cijfers is gestaafd - steeds minder buitenlandse onderwerpen en hebben zij hun personeel in het buitenland sterk ingekrompen.

In het jongste nummer van Foreign Policy zingt Claude Moisy, oud-correspondent en -president van het Franse persbureau Agence France Presse (AFP), deze klaagzang nog eens. Om er aan toe te voegen dat 'ware democratieën' zich niet kunnen veroorloven dat burgers geen permanent belang stellen in de buitenlandse betrekkingen van hun land. Want in tijden van crisis zal het volk zich tóch roeren en, gelooft Moisy, gedreven door collectieve emoties in plaats van serieuze informatie zijn leiders dwingen beslissingen te nemen - de verkeerde.

Om deze veronderstelde kloof tussen burger en politieke elite te dichten hebben sommigen hun hoop gevestigd op het Internet, het wereldwijde netwerk van computers. Ten onrechte, meent Moisy. Dat 'het Net' in staat zou zijn om een global village vol wederzijds begrip te bouwen, is een illusie. Ten eerste is de 'informatiesnelweg' alleen voor een handjevol geprivilegieerden toegankelijk. Bovendien nodigt het Net gebruikers uit zich af te zonderen in eenzijdige elektronische discussiegroepen of virtuele spelletjeswerelden. En ten slotte werken zogeheten 'interactieve kranten' - die men on-line aan de eigen voorkeuren kan aanpassen - volgens hem blikvernauwend. Want de meeste gebruikers kiezen dan liever onderwerpen dicht bij huis, zoals sportuitslagen of het weerbericht dan internationaal nieuws, analyse en commentaar. Het Internet maakt volgens sceptici als Moisy kortom wereldvreemd.

Daar zit iets in. Wie vandaag rondkijkt op het World Wide Web, het populairste gedeelte van het Internet, kan moeilijk ontkennen dat het aantal websites voor een algemeen publiek sterk daalt ten opzichte van de sites die inspelen op speciale interesses, life-styles, leeftijdsgroepen, culturen of regio's. “Get local!” en “Get personal!”, luidt de boodschap van talloze Internet-bedrijven die nog maar kort geleden vooral een 'globaal' publiek zeiden te bedienen. Het Internet is minder een gemeenschappelijke ruimte dan een verzameling van gescheiden compartimenten - steden, dorpen, buurten, buurthuizen en zolderkamers, elk ingericht voor een aparte smaak. Voor zover daar wordt gecommuniceerd, is het vooral tussen gelijkgestemden: liefhebbers van dezelfde sportheld, auto of seksvariant, geloofsgenoten, en inderdaad - bewoners van dezelfde fysieke plek op aarde.

Een gezichtsbepalend Internet-bedrijf dat zijn algemene imago probeert af te schudden is Yahoo!, dat een onderwerpscatalogus van bezienswaardigheden op het Net bijhoudt. De website van Yahoo! is een van de drukst bezochte plekken van het Internet. De catalogus wordt per maand ruim een miljard keer geraadpleegd en miljoenen gebruiken Yahoo! als vertrekpunt voor uitstapjes over het Net. Naast de algemene catalogus (http://www.yahoo.com) bouwt Yahoo! nu in hoog tempo websites voor speciale doelgroepen. Er is een Yahoo! voor jongeren ('Yahooligans'), met pendanten voor sportliefhebbers, vrouwen en bejaarden in de maak. En er zijn afzonderlijke Yahoo!'s voor twaalf Amerikaanse grote steden. Alleen de 'algemene Yahoo!' geeft op de 'voorpagina' nog een selectie uit het wereldnieuws (via het persbureau Reuters).

Een soortgelijke ontwikkeling is te zien bij CNN Interactive, de website van het Amerikaanse televisiestation Cable News Network (http://cnn.com). 'We're regional now', luidt de eerste 'kop' op de voorpagina, en dat is voor het global news network nu blijkbaar een aanbeveling. Wie er met de muis op klikt, komt in een menu dat dwingt om nieuws uit één werelddeel te kiezen. Kennelijk gelooft zelfs CNN dat de interesse voor de wereld-als-geheel onder Internet-gebruikers taant.

Wie de eerste nieuwspagina van MSNBC, het samenwerkingsverband van Microsoft en de tv-zender NBC opslaat (http://www. msnbc.com/news/default.asp), krijgt meteen een 'persoonlijke voorpagina' voorgeschoteld. Temidden van de eigen voorkeuren die men daarin kan opgeven, is 'wereldnieuws' niet meer dan één van de trefwoorden tussen 'filmrecensies', 'filemeldingen', 'horoscoop' en lokaal nieuws voor een willekeurige (Amerikaanse) stad. De wereld wordt geen dorp, maar uw dorp is uw wereld, luidt ook hier het devies.

Het is onwaarschijnlijk dat deze trend verandert. Populaire sites als Yahoo!, CNN en MSNBC zijn afhankelijk van advertentie-inkomsten, die weer gebaseerd zijn op het aantal keren dat ze worden geraadpleegd. Het is dus in hun belang elke bezoeker zo lang en vaak mogelijk te boeien. Specialisatie helpt daarbij. Omgekeerd biedt specialisatie adverteerders de mogelijkheid om nauw omschreven groepen of zelfs individuele gebruikers uit de dunne spoeling te lichten en met gerichte boodschappen te bestoken. Reclame voor een sportdrankje op pagina's voor jongeren, advertenties voor auto's op pagina's voor koopkrachtige mannen, enzovoorts.

Op het nog steeds onstuitbaar en onoverzichtelijk groeiende World Wide Web is specialisatie onvermijdelijk. Bij afwezigheid van een deugdelijke plattegrond van het hele Web, is het een instrument waarmee Internet-bedrijven hun bezoekers helpen zich ten minste in een deel van de chaos te oriënteren.

En zou de minder prominente plek voor wereldnieuws echt betekenen dat Internet-gebruikers steeds wereldvreemder worden? Toegang tot het Net betekent voor veel gebruikers wel degelijk een verbreding van hun horizon, ook al zijn ze niet direct geïnteresseerd in the world at large. Een paar voorbeelden. In Brazilië zijn de meeste nationale en regionale kranten sinds een jaar on-line. Dat heeft het grootste land van Latijns Amerika een stuk kleiner gemaakt. In Manaus is de Folha de S Paulo nu - in zijn geheel - te lezen op het moment van verschijnen, in plaats van een week later, áls hij in het oerwoud al wordt bezorgd. Vijf jaar geleden waren vijf universiteiten in Afrika op het Internet aangesloten. Het merendeel van de 140 leden van de Association of African Universities (AAU) maakt er nu gebruik van.

En in de zich eindeloos uitdijende voorsteden van Californië, waar 'stadscentrum' een loos begrip is, brengt het Internet een nieuw soort samenhang. Gemeenten rond de baai van San Francisco hebben sinds een paar jaar ontdekt dat zij de gemeenschapszin vergroten door hun burgers elektronisch te laten stemmen, of via het Internet een beroep te laten doen op sociale of medische diensten. Zeker, ongeïnteresseerde burgers zullen ook door het Internet niet betrokken raken bij het wel en wee van hun stad, maar voor degenen voor wie twintig kilometer in de file naar het gemeentehuis te ver is, is het een uitkomst.

'Elektronische gemeenschappen' zijn dus niet alleen groepjes freaks die verspreid over de wereld hetzelfde afstompende computerspelletje spelen. Het zijn ook de Bosnische ballingen die over het Net hun diaspora indammen. Het is ook het Amerikaanse softwarebedrijf dat in India een programma laat schrijven waarna het via het Net naar Thailand verhuist om op CD-ROM gezet te worden. En het is ook de Nederlandse journalist die een wildvreemde collega in Australië kan raadplegen over een gemeenschappelijk onderwerp.

Het is waar, het World Wide Web verandert in een verzameling elektronische nissen. Maar daar staat dus een tweede trend tegenover: het Internet brengt geografisch gescheiden, maar inhoudelijk gekoppelde interesses, belangen of productieprocessen bij elkaar in een tempo en op een schaal die niemand een paar jaar geleden kon voorzien.

En over journalistiek gesproken: de site van AFP (http://www.afp.com/francais), Moisy's bedrijf, is niet veel meer dan een reclamebord, met enkele povere berichten. Waarom? Omdat het een illusie is te denken dat de informatie die Moisy op het Net nu zo mist daar voor niets is te vinden. Wie The Wall Street Journal of The New York Times wil lezen, kan nu weliswaar gewoon achter zijn beeldscherm blijven zitten, maar moet er wel zijn creditcard bij houden. Zou het toeval zijn dat Foreign policy slechts een kleine selectie uit het jongste nummer gratis op zijn site (http://www.foreignpolicy.com) plaatst en dat men voor de complete inhoud - waaronder Moisy's stuk - gewoon moet betalen?