Lubbers en Europa

Het verbaast dat drs. R.F.M. Lubbers “één van de architecten van het Verdrag van Maastricht” wordt genoemd (NRC Handelsblad, 22 augustus). Dat verdrag had geen Nederlandse architect. Het was een Frans-Duits dictaat, uitgewerkt door het Luxemburgse voorzitterschap, dat in 1991 aan het Nederlandse voorafging.

Men zal zich herinneren dat het Nederlandse voorzitterschap toen onverhoeds met een geheel eigen ontwerp kwam, maar dit bij gebrek aan steun onverwijld moest intrekken. Na deze 'zwarte maandag' restte Nederland, dat het als voorzitter braaf de eindversie van het Frans-Duitse dictaat mocht opschrijven.

Naderhand wilde Lubbers nog poseren als de bedenker van de subsidiariteit. Zulks tevergeefs, want dit begrip, afkomstig uit een pauselijke encycliek uit 1931, was al in 1982 in een ontwerp-verdrag voor een Europese Unie gebruikt door Europarlementariër Spinelli en nog in september 1988 genoemd door de Britse eerste minister Thatcher, in een rede voor het Europa College in Brugge. Subsidiariteit was in 1991 dus niets nieuws; het maakte deel uit van het Frans-Duitse dictaat.

Een overeenkomst tussen het zwakke Nederlandse optreden bij het Verdrag van Maastricht en het zwakke Nederlandse optreden bij het Verdrag van Amsterdam is dat ook in Amsterdam Nederland zich onvoldoende wist te verzekeren van de steun van andere kleine staten. Bij de bespreking van een toekomstige stemmenverhouding in de Raad van Ministers trad zelfs een meningsverschil met België aan het licht. Dit had natuurlijk in een voorafgaand Benelux-overleg uit de weg moeten worden geruimd. Nog beter is het, voorafgaand aan een Eurotop een afzonderlijke 'Top van de kleine staten' te houden, waarop alle kleinere staten de standpunten onderling afstemmen, als tegenhanger van het Frans-Duitse beraad. En nóg beter is het kadidaatleden als Estland en Tsjechië nu al te betrekken bij dat kleine-statenoverleg. Dan worden de kleinere staten de 'architecten' van het volgende verdrag: dat voor de uitbreiding naar Midden-Europa.