Keurslijf ondermijnt verantwoordelijkheid media

Het optreden van sommige persfotografen rond het ongeluk waarbij prinses Diana om het leven kwam, heeft de discussie over een gedragscode voor journalisten nieuw leven ingeblazen. Opgelegde voorschriften werken niet, betoogt Huub Evers. Zelfregulering verdient de voorkeur.

De laatste jaren duikt met regelmaat de vraag op of het niet tijd wordt voor een gedragscode voor de journalistiek. Het begint langzamerhand op een rituele dans te lijken. Klachten over het optreden van de pers monden uit in een pleidooi voor striktere regels.

De journalistiek reageert vervolgens met de mededeling dat dat volstrekt overbodig is, dat men op de redacties doorgaans gewetensvol en zorgvuldig te werk gaat en dat zeker de overheid zich niet met de journalistieke vrijheid moet bemoeien. “Met journalisten praten over een gedragscode is als overleggen met Lucas Bols over geheelonthouding”, wist een politicus lang geleden al.

De laatste maanden klinkt de roep om een code frequenter en met grotere intensiteit. Eerst was er de verontwaardiging over de wijze waarop (een deel van) de vaderlandse pers berichtte over een busongeluk in Egypte. Daarna maakten de media melding van de voornemens van het kabinet om het journaille voortaan bij rampen en ongelukken op grotere afstand te houden. Striktere regels voor hulpverleners, onder meer over de vraag hoe om te gaan met de pers, zouden een betere waarborg zijn voor de privacybescherming van slachtoffers. Het tragische overlijden van prinses Diana had als gevolg dat fotojournalisten en de internationale roddelpers met kritiek werden overladen.

De debatten over deze kwesties convergeerden in een pleidooi voor een gedragscode voor de pers. De Duitse bondskanselier Kohl en de Franse president Chirac spraken al over een internationale gedragscode voor de journalistiek en in eigen land meldde staatssecretaris Nuis (Cultuur) dat hij als “stimulator en katalysator” wil optreden in een proces dat tot een journalistieke code moet leiden.

Tot voor kort had de Nederlandse journalistiek geen eigen gedragscode voor de hele beroepsgroep. Het enthousiasme voor een gedragscode is in journalistieke kringen niet groot. Zo'n tekst, zo luidt de kritiek, is òf te algemeen en vaag en daardoor nietszeggend, òf gedetailleerd maar daardoor een gevaar voor de redactionele vrijheid. Bovendien zou een code verstarrend werken. Verder zijn codes vaak te idealistisch. Voorts zou een opsomming van wat wel en wat niet mag, kunnen suggereren dat al wat niet geformuleerd werd dus geoorloofd is.

Conclusie van sommigen: voortdurende ethische reflectie is broodnodig, maar een code kan gemist worden als kiespijn. Anderen gaan nog een stap verder en beklemtonen dat iedereen zich aan de wet moet houden, ook journalisten, en dat mensen die vinden dat een journalist iets doet of publiceert wat niet door de beugel kan, naar de rechter moet stappen.

Ondanks deze bezwaren zijn in de laatste jaren enkele codes opgesteld. Joep Dohmen, journalist van dagblad De Limburger, beschrijft in zijn boek 'De Vriendenrepubliek. Limburgse kringen' hoe zijn krant kwam tot het initiatief een code te schrijven. Een dagblad dat veel werk maakt van onderzoeksjournalistiek en dat de handel en wandel van politici toetst aan normen van integriteit en onkreukbaarheid, moet ook zichzelf durven toetsen, al was het maar om niet chantabel te zijn.

Ook in de wereld van de commerciële omroep werden initiatieven genomen. De verantwoordelijken bij SBS6 bleken niet ongevoelig voor de forse kritiek op programma's van deze nieuwe omroep èn op de werkwijze van cameraploegen, bijvoorbeeld bij ongelukken. Daarom stelde een commissie (ik was lid daarvan) een gedragscode op, waarin onder meer ruim aandacht wordt besteed aan het toestemmingsvereiste, aan privacybescherming van slachtoffers en aan het optreden van cameraploegen bij acties van politie en brandweer.

In 1995 kwam het Genootschap van Hoofdredacteuren met een eigen gedragscode. Hét argument om ondanks alle bezwaren toch te proberen normen te formuleren, is de vrees voor toekomstig overheidsingrijpen, misschien niet zozeer door Den Haag als wel door Brussel of Straatsburg. Daarom, zo is de redenering, doet de journalistiek er verstandig aan uit eigen beweging een zichtbaar instrument van zelfregulering te ontwerpen.

Wanneer in Nederland zelfregulering niet zou functioneren, ontbreekt een goed argument om zich tegen Europese plannen te verzetten. De opstellers verklaren dat het niet gaat om een bindende code, maar om een adstructie en concretisering van het toetsingscriterium van de Raad voor de Journalistiek. Het genootschap hoopt hiermee de discussie over een zorgvuldige beroepsuitoefening aan te wakkeren. Dat lijkt mij een juiste benadering.

Een door de beroepsgroep of een medium zelf opgestelde en vrijwillig aanvaarde code (en de onderlinge discussies ter voorbereiding daarvan) kan een zinvol instrument van zelfregulering zijn en een uiting van een serieuze vakethiek. Een van bovenaf opgelegde en voor alle beroepsbeoefenaren bindende code is volstrekt onwenselijk en bovendien in de praktijk onmogelijk.

Wie bepaalt wie zich journalist mag noemen? Wie stelt de normen vast? Wie houdt toezicht op de naleving ervan? Hoe worden overtredingen gesanctioneerd? Wat te doen met kranten of omroepen die er geen misverstand over laten bestaan dat ze zich niet naar zo'n code willen voegen? Wat te doen met het voorstel om specifiek de roddelpers aan een code te binden? Wie trekt de grens tussen yellow press en serieuze journalistiek? Wil men die grens niet trekken en de normen opleggen aan de gehele journalistiek, dan zal er sprake zijn van een onaanvaardbare aantasting van de persvrijheid, een onvoorstelbare situatie in een samenleving als de onze.

Een gedragscode kan en mag de persoonlijke verantwoordelijkheid van journalisten niet wegnemen; ze is slechts hulpmiddel bij een zorgvuldige afweging. Heeft de journalist in een concrete situatie argumenten om de gebruikelijke regels niet te volgen, dan moet hierover gedebatteerd kunnen worden op basis van argumenten. Geen starre voorschriften dus, maar richtingwijzers.

De door het Genootschap gewenste discussie wordt met regelmaat gevoerd, ook op deze pagina, overigens niet dank zij de code van dit college. De tekst is in het vakblad De Journalist gepubliceerd (15 december 1995) en daarmee is voorzover mij bekend alles gezegd. Veel indruk heeft het document in journalistieke kring (nog) niet gemaakt. Ik vermoed dat menig journalist van het bestaan van deze code niet op de hoogte is. Toch is met name de richtlijn met betrekking tot privacybescherming de moeite van het lezen waard.

Interessant in dit verband is het voorstel om ook mediaconsumenten meer bij het debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de media te betrekken. Het Genootschap zelf zou kunnen beginnen met de eigen gedragscode onder de aandacht van het grote publiek te brengen. De Raad voor de Journalistiek heeft onlangs zijn jurisprudentie via het Internet (http://www.anp.nl/rvj) op trefwoord toegankelijk gemaakt voor het grote publiek. Ook hierop is buiten de kring van vakgenoten (nog) geen aandacht gevestigd.

Kranten en omroeporganisaties die een gedragscode hebben, zouden deze tekst aan hun lezers respectievelijk kijkers kunnen presenteren. Wanneer de media debat over de eigen vakethiek willen, ook met het publiek, moeten ze daartoe zelf meer initiatieven ontplooien.