Kennisexplosie

Wat kunnen (toekomstige) patiënten verwachten van het kankeronderzoek in de komende tien à vijftien jaar? De verwachting van een oncologe.

E.G.E. DE VRIES, hoofd van de afdeling medische oncologie van het Academisch Ziekenhuis Groningen, begin volgend jaar opvolgster van G.C. de Gast als voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor de Kankerbestrijding: “In de tijd dat ik als jong broekie mijn oncologie-opleiding afrondde, werd het monoclonale antilichaam ontdekt. Voor het eerst kon men toen een afweerstof maken tegen specifieke eiwitten op een cel.

“Ik kan mij nog goed de reactie uit die tijd herinneren: wil jij de oncologie in? Dat vak bestaat straks niet meer. Iedere kankerpatiënt krijgt een anti-lichaam ingespoten en dan is het hele kankerprobleem opgelost.

“Helaas liep het allemaal anders. Het monoclonale anti-lichaam kreeg een plaatsje in de oncologie toebedeeld, maar het kankerprobleem werd er niet mee opgelost.

“De vraag is of je überhaupt kunt spreken van 'het kankerprobleem'; je praat tenslotte over meer dan honderd verschillende ziekten. Die ziekten kun je weer onderverdelen in subgroepen die stuk voor stuk vaak weer een andere behandeling behoeven.

“In een magic bullet - een doeltreffende kuur voor alle kankersoorten - geloof ik dan ook niet. In het oncologisch onderzoek gaat het om een uiteenrafeling van processen; het is een kwestie van tijd, maar het resultaat is er niet minder om.

“Het National Cancer Institute in Washington heeft onlangs een lijst gepubliceerd van alle doorbraken in de oncologie sinds 1971, het jaar waarin Richard Nixon zijn War on Cancer verklaarde. Het karakter van de doorbraken liep erg uiteen - van vorderingen in de technologie en epidemiologie tot behandelmethoden en preventieve maatregelen. De lijst omvatte zo'n vijftig punten.

“Als u me vraagt: is die lijst over vijfentwintig jaar twee keer zo lang, dan zeg ik: ja, misschien zelfs nog langer. Ik vind echt dat we vooruitgang boeken. Waar ik met name veel van verwacht is de kennisexplosie die zich op dit moment bij het laboratorium voordoet.

“Een mooi voorbeeld is het verband dat nu wordt gelegd tussen de genetische codering op het DNA van mensen en hun kans om een bepaalde tumor te krijgen. Veel vragen zijn nog onbeantwoord, toch wordt er nu al heel wat kennis vertaald in maatregelen ter preventie van tumoren. Dat zal de komende jaren alleen maar toenemen.

“Dat neemt niet weg dat het overhevelen van know-how van het lab naar de kliniek vaak moeizaam verloopt. Een lab-onderzoek is compact en overzichtelijk en de uitkomst ervan niet zelden spectaculair. Maar briljante ideeën kun je niet lukraak uittesten op mensen. Onze patiënten dienen de best mogelijke zorg en begeleiding te krijgen. Wetenschappelijk onderzoek - zoals experimentele therapie - dient daarom heel nauwkeurig en weloverwogen te worden uitgevoerd.

“Als internist ben ik blij met iedere vooruitgang die wordt geboekt. Bij chemotherapie geven wij patiënten met zaadbalkanker tegenwoordig ook effectievere medicijnen tegen de misselijkheid. Deze mensen kunnen - in tegenstelling tot voorheen - weer eten. De gemiddelde leek beschouwt zoiets waarschijnlijk niet als een doorbraak, maar de kwaliteit van leven gaat er wel degelijk op vooruit.

“In de toekomst zal het steeds meer gaan om de beheersing van het kankerprobleem. Genezen moet onze topprioriteit blijven, maar omdat genezen lang niet altijd mogelijk is, is het streven naar een langer en goed leven net zo eerbaar. Dat betekent dat steeds meer kankerpatiënten gewoon kunnen blijven deelnemen aan het maatschappelijk leven. Zoals ooit is voorspeld, zal kanker zo een chronische ziekte worden, vergelijkbaar met een nierkwaal.

“Als effectieve behandeling niet meer tot de mogelijkheden behoort, moeten wij een zo goed mogelijke zorg bieden in de eindfase van het leven. Een krantenkop zal het waarschijnlijk niet opleveren, maar voor het individu is dat enorm belangrijk.”