In Liefde Bloeyende

Immortellen, XVI

Zijn goudblonde lokken en knevel

Zijn geestvolle neus en mond

Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem

En zijn New-Foundlandse hond

Ik moet er gedurig aan denken;

Zelfs adem ik soms nog flauw

De geur in van zijn sigaren.

Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren

Dan word ik eensklaps zo raar.

Is 't omdat hij ze rookte

Of was de tabak mij te zwaar?

Piet Paaltjens (1835-1894)

Dit is vanzelf een mooi gedicht, met z'n ironische aanhankelijkheidsbetuiging waarbij de dichter - de 'ik' - door de vergeetmijnietblik van een afwezige vriend zelf in de rol van New-Foundlandse hond wordt gedwongen. Het bevat bovendien de onsterfelijke regel: Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw. Er zou een heel artikel geschreven kunnen worden over het effect van eigennamen - plaatsen, merken - in gedichten en over hoe sommige namen, door een zekere alchemie, méér blijven hangen dan andere. Un matin, à Rotterdam, sur le quai des Boompjes van Valery Larbaud. Ik hoorde het eens vervaarlijk onder Zalk en Veecaten van Ida Gerhardt. Twee voorbeelden uit een verbluffende lijst. Toch - nu even niet over Paaltjens, maar over tabaksrook.

We zijn in de negentiende eeuw. De tabak is blijkbaar te zwaar geworden. De geur is in staat iemand misselijk te maken. Dat is ooit anders geweest. Een burlesk gedicht als Op een tabaks-doos, gevonden in het papier-laatjen van een kakhuys door de zeventiende-eeuwer Pieter Elzevier doet vermoeden dat de tabak zelf altijd al onwelriekende associaties opriep. Maar de rook was vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw, toen de tabak in Europa werd ingevoerd, toch het symbool van iets verheveners.

Wind, damp, wolk, rook - ze waren er al, als het symbool van de ijdelheid en de vluchtigheid van het bestaan. In een gedicht als Humana fumus, helemaal aan het begin van de zeventiende eeuw, kan Theodore Rodenburgh nog over de grillige, ijle aard (de 'bobbel-bellings-gaven') van de mens spreken zonder er pijp en tabak bij te halen: Wat is de Wereld doch? een schaeuw, een damp, een roock En is de wereld zulckx, zo zijn 't menschen oock.

Maar al snel zien we hoe, bij de toenemende populariteit van het 'tabakdrinken' - zoals dat aanvankelijk heette - de tabaksrook zich meester maakt van het vanitas-motief. Damp, rook, wind, ze gaan samenvallen met wat uit een pijpenkop kringelt. Het motief van de tabaksrook bleef sindsdien een eigen leven leiden.

Als memento mori. Als afbeelding van de hoop. Als synoniem van drijfzand. Wat steekt niet in dit kruid! ô zeltzaam wonder! d'asch Betuigt elk wat hij is, en wat hij eertijds was. Och, d'arme aaloudheid heeft van 't roken niet geweten!

betuigt Samuël Sylvius zo'n eeuw later in Op het tabakroken. De rage van het roken had toen al een rage van rookgedichten tot gevolg gehad. De aloude vanitas in travestie. De modernisering van een embleem. Cats varieerde er op. Het beroemdste rook-sonnet van de barok, het Assis sur un fagot, une pipe à la main... van Antoine Girard Saint-Amant, werd door meer dan één Nederlandse dichter vertaald en als eigen werk gepresenteerd: door Joan. Blasius (1639-1672) in zijn Klinkkert Wanneer ik by het Vuur in guure Winterstonden Met een gevulde Pijp my eensaam neederset, enz.

en door W.G. van Focquenbroch (1640-ca. 1670) in zijn Spes mea fumus est

Wyl ick dus sit en smoock een Pijpjen aen de haert Met een bedruckt gelaet, de oogen na de aerd, enz.

Het is leerzaam beide navolgingen in hun geheel te vergelijken. Beide eindigen met de constatering dat er geen verschil is tussen hoopvol leven en tabak: het ene is niets dan wind, het andere is niets dan rook.

Voor Focquenbroch zal het een Leitmotiv zijn. Het Fumus Gloria Mundi staat als motto midden op de titelpagina van zijn Afrikaense Thalia van 1678: Des Werelts Glory is maer Roock...

Pijp en tabaksdoos zijn als huiselijke attributen in de dichtkunst inmiddels zwaar verouderd. De tabaksrook werd een volwaardig literair motief en is dat eeuwenlang gebleven. De boodschap kon immers gemakkelijk worden aangepast: van de rook als teken van ijdelheid naar de rook als teken van melancholie en somberheid. Of de tabaksrook de eenentwintigste eeuw zal halen? Als weinig meer, vrees ik, dan als teken van overheidsbemoeienis en gezondheidshysterie. De poëzie zal er uit verdwenen zijn. We maken de dood van een literair motief mee. Maar toen ik terug kwam in de warme kamer stond daar een wolkje van zijn laatste sigaret en rekte zich in zachte haast, toen draaide het en met een liefelijk gebaar van wanhoop en vaarwel strekte het zich uit en toen verdween het snel

kon Vasalis nog schrijven in haar gedicht Afscheid (in Vergezichten en gezichten van 1954). Dat gebaar van wanhoop en vaarwel werd bij Piet Paaltjens al aangekondigd. Het lachen van Pieter Elzevier is hem bij de geur vergaan. De negentiende eeuw is de eeuw van het registreren, het teveel en het flauwvallen. 't Komt allemaal samen in dit laatste klassieke rookgedicht. Paaltjens ruikt, welbeschouwd, al een denkbeeldige sigaar. Zijn vraagteken aan het eind is onheilspellend.