GroenLinks kleurt al aardig paars

Hoe is de visie van GroenLinks in een paar woorden samen te vatten? Minder inkomen, maar een leukere samenleving: groener, schoner en meer vrije tijd. Aldus GroenLinks-fractievoorzitter Paul Rosenmöller afgelopen vrijdag in een vraaggesprek met deze krant naar aanleiding van het die dag gepresenteerde ontwerpverkiezingsprogramma van zijn partij.

Als dit de komende tijd inderdaad het credo wordt van GroenLinks hoeft het kabinet zich over dit deel van de oppositie in elk geval geen zorgen te maken. Want wat Rosenmöller voorstaat is namelijk reeds beleid. Ongetwijfeld niet in die mate als GroenLinks zou willen, maar als Nederland ergens afwijkt van het omringende buitenland is dat nu juist op de punten die hij noemt. De inkomens zijn minder gegroeid dan elders om er de 'leukere' samenleving voor terug te geven. De veertigurige werkweek komt haast in geen enkele CAO meer voor en is vervangen door veertig dagen vakantie per jaar. En wat betreft de groenere samenleving: Nederland kent sinds kort een ecotax en wie groen wil beleggen wordt door de fiscus ontzien.

Natuurlijk, het is in de ogen van GroenLinks allemaal niet genoeg en op een enkel terrein zou de partij ongetwijfeld ook andere keuzes maken. Maar het ontwerpprogramma ademt toch op zeer veel punten een krampachtig zoeken naar de verschillen. Typerend is bij voorbeeld de erkenning dat in internationaal verband de Nederlandse inspanningen voor het milieu geregeld geroemd worden. Het enige wat GroenLinks daar tegenover kan stellen is de verzuchting dat die lof vaak vooral de manier betreft waarop het in Nederland op papier wordt gezet. “In de praktijk worden veel doelstellingen niet gehaald”, zegt het programma.

Profilering via de maatvoering; veel is het niet meer met de nazaten van de PSP, CPN, PPR en EVP. Het is dat GroenLinks getalsmatig in het geheel niet nodig is voor de coalitie, want anders zou de partij direct een entreebewijs bij minister-president Kok kunnen ophalen. 'GroenLinks rekent af met radicaal verleden' stond in het Algemeen Dagblad boven een artikel over het ontwerpprogramma. GroenLinks rekent definitief af met het verleden zou een betere kop zijn geweest, want het nu gepresenteerde programma gaat gewoon verder op de weg die begin jaren negentig is ingeslagen.

Het 'realisme' dat ook al zo duidelijk in het programma van vier jaar geleden naar voren kwam, is alleen krachtiger aangezet. Nog bescheidener zijn de verwachtingen ten aanzien van het eigen sturingsvermogen. Neem het begin van het eerste hoofdstuk: “Overheid en markt kunnen niet zonder elkaar, maar debatten over hun beider rol verzanden vaak in extremen. Daarom is het voortdurende debat over de rol die beide spelen in de sturing van de samenleving weinig productief. Wie minder overheid wil zou alles aan de markt aan de markt over willen laten met alle a-sociale gevolgen van dien. Wie een krachtige overheid wil gaat al gauw door voor iemand die alles van bovenaf wil regelen en geen oog heeft voor de individuele keuzevrijheid. Zo gaat het zicht op het juiste evenwicht tussen overheidssturing en marktwerking verloren.” Het is allemaal heel erg waar, maar deze zin zou ook integraal in het verkiezingsprogramma van de VVD passen.

Het programma van GroenLinks bevestigt wel het bange vooruitzicht van een onuitputtelijk politiek midden. Beter gezegd, kan nog wel gesproken worden van een midden als er geen zijflanken meer bestaan? En, hoe schraal zal vervolgens het politieke debat worden? De afgelopen jaren heeft GroenLinks nauwelijks een rol gespeeld bij het reactiveren van het politieke debat. Onder aanvoering van fractievoorzitter Rosenmöller is de partij vooral actief in het meespelen van het politieke spel aan het Binnenhof. In het Bouterse-debat was hij vorige week dan ook weer volop aanwezig. Niet om het te hebben over de verhouding tussen Nederland en Suriname, maar om te stoken in de coalitieverhoudingen. De steken die het CDA hier laat vallen, worden keer op keer opgepakt door GroenLinks. Het levert schouderklopjes op in de wandelgangen, maar geen kiezers.

De tragiek van GroenLinks is toch dat het fröbelen in de marge blijft. Waar de Groenen in Duitsland zich op diverse plaatsen hebben weten te ontwikkelen als een reële machtsfactor, komt GroenLinks nog niet eens aan speldenprikken toe. Simpelweg, omdat de partij geen enkel electoraal gevaar vormt. Slechts in de peilingen weet GroenLinks kiezers af te snoepen van de PvdA. Bij echte verkiezingen laten potentiële kiezers van de partij zich toch altijd weer leiden door de machtsvraag.

Fractievoorzitter Marijnissen van de Socialistische Partij heeft gelijk met zijn stelling dat GroenLinks vooral een partij is voor 'hoger opgeleiden in gewetensnood'. Dat eerste blijkt ook uit onderzoek. Tweederde van de achterban van GroenLinks heeft een hoog opleidingsniveau, terwijl de helft van de kiezers te scharen valt onder de inkomenscategorieën modaal en bovenmodaal. Een aanzienlijk deel van de andere helft is student en heeft dus uitzicht op een bestaan dat ruim boven het minimum zal liggen.

Het is de vraag wat je als politieke partij met dat gegeven doet. Een jaar geleden verweten de GroenLinksers Krijnen en Suudi de partij in een artikel in de Volkskrant zich consequent op de verkeerde achterban te richten. De “pittbullachtige wijze” waarop GroenLinks zich vastbeet in de arme kant van Nederland, leidde volgens hen tot “eenzijdige politieke standpunten”. De partij intereseerde zich in een achterban die electoraal niet in haar was geïnteresseerd, terwijl de partij zelf geen interesse toonde voor de achterban die wel in haar was geïnteresseerd, luidde hun conclusie.

Het nu gepresenteerde ontwerp verkiezingsprogramma komt de critici zonder meer tegemoet. De arme kant van Nederland krijgt weliswaar nog ruime aandacht, maar het programma laat tevens duidelijk zien dat er daarnaast nog veel meer is. Kortom, aandacht voor de natuurlijke achterban. Wat dat voor de omvang van de partij betekent laat zich raden: wat ooit klein links was blijft klein maar nu in het midden.