De arme kant van Nederland groeit

Bestrijding van armoede is een van de belangrijkste doelen van het huidige kabinet. De 'Armoedemonitor 1997' moet licht werpen op wat armoede is en hoeveel armen er zijn.

DEN HAAG, 4 SEPT. Nederlanders worden steeds gezonder en ouder, ze volgen hogere opleidingen en ze worden minder gewelddadig. Huishoudens kunnen meer besteden en sparen dan ooit, de werkloosheid loopt terug, minder bedrijven gaan failliet terwijl er meer worden opgericht en de investeringen bereiken recordhoogten.

Dat het goed gaat met Nederland is genoegzaam bekend. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) liet daar dinsdag geen misverstand over bestaan bij de presentatie van de economische prestaties van vorig jaar. Maar bij al die positieve cijfers steekt één negatief gegeven wat iel af. Het is de inkomensongelijkheid die sinds 1994 groter blijkt te zijn geworden. Sindsdien groeit de afstand tussen de hoogste en de laagste inkomens.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had er in januari al voor gewaarschuwd: hoewel het meevalt met de gevreesde maatschappelijke tweedeling, wordt de afstand tussen de kleine groep have-nots die economisch en sociaal achterblijven en de rest van Nederland steeds groter. Dat moet koste wat kost worden voorkomen, meent het huidige kabinet dat armoedebestrijding tot speerpunt van zijn beleid heeft verklaard. “Ook in de volgende regeerperiode zal dat hoge prioriteit moeten krijgen”, voegde minister Melkert (Sociale Zaken) daar deze week aan toe.

Voor een succesvolle bestrijding van het verschijnsel armoede is zicht op de 'armen' gewenst. Om daar licht op te werpen komt het CBS vandaag, twee dagen nadat het de jubelcijfers over de economie presenteerde, samen met het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met de 'Armoedemonitor 1997'. Daarin wordt de armoede in Nederland in kaart gebracht tot, anders dan de titel suggereert, 1995.

“Wat is arm?” Die vraag staat, net zoals in de discussies over armoede en armoedebestrijding, ook in de Armoedemonitor centraal. Volgens de onderzoekers van de instituten voor sociologisch en statistisch onderzoek valt de beantwoording van de vraag in twee 'scholen' uiteen: de alarmisten en de relativisten.

De eerste groep meent dat Nederlanders die wegens geldgebrek niet mee kunnen doen aan het maatschappelijk verkeer, arm moeten worden genoemd. De relativisten wijzen naar Afrika en Azië waar “de mensen pas echt arm zijn”. De schrijvers van de Armoedemonitor willen maar zeggen dat armoede een subjectief begrip is, wat het in kaart brengen ervan heel lastig maakt.

De beide instituten ontkomen er niet aan een armoedegrens te trekken, ofwel wat “een laag besteedbaar inkomen” is. Die grens wordt getrokken op 16.000 gulden in prijzen van 1990 voor een eenpersoonshuishouden. Omgerekend naar het laatste jaar dat in de monitor is onderzocht, 1995, komt dat neer op 18.600 gulden. Voor bijvoorbeeld een echtpaar met een kind tussen de 6 en 12 jaar ligt de grens in 1990 op 27.040 gulden, en in 1995 op 30.825 gulden.

Bijna een miljoen huishoudens (996.000; ruim 16 procent van alle huishoudens) waren volgens de CBS/SCP-norm in 1995 als arm te beschouwen. Maar wat is arm, als 96 procent van die huishoudens een kleurentelevisie heeft, 33 procent een magnetron en 42 procent een vermogen van 5.000 gulden of meer?

Men blijkt zo arm als men zich voelt, reden waarom de vraag is gesteld of de 'armen' moeite hebben met rondkomen. Tweederde antwoordde neutraal of zei dat het gemakkelijk rond kon komen (respectievelijk 48 en 16 procent). Ruim eenderde (35 procent) van de huishoudens met een laag inkomen heeft er moeite mee de eindjes aan elkaar te knopen, bijna evenveel als het aantal zeer arme huishoudens die het moeten rooien met minder dan 12.000 gulden per jaar.

Omdat het kabinet-Kok onder aanvoering van Melkert zich zo breed heeft gemaakt voor de arme kant van Nederland, zal vooral Melkert geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen vanaf 1994, toen het paarse kabinet aantrad. De minister van Sociale Zaken heeft weinig reden tot juichen, want aan de stabilisatie van het aantal lage inkomens vanaf 1990 is in 1994 een eind gekomen. Vanaf dat jaar is het aantal huishoudens met een laag inkomen gestegen met 83.000, één procent van alle huishoudens.

Het perspectief lijkt voor de arme huishoudens bovendien beperkt, zo blijkt uit de cijfers, want bijna de helft van de arme huishoudens (432.000) zit al langer dan vier jaar onafgebroken in dezelfde situatie. Het gaat evenwel om cijfers tot 1995 en Melkert kan zich erop beroepen dat de effecten van de armoedebestrijding even op zich laten wachten. Dat neemt niet weg dat de bewindsman samen met staatssecretaris Tommel (Volkshuisvesting) volgens de CBS/SCP-onderzoekers nog een flinke uitdaging te wachten staat. Het is de huursubsidie. Eenderde van de mensen die recht hebben op de subsidie blijken deze niet te krijgen, de ene groep omdat ze de subsidie niet willen, de andere omdat ze de weg niet weten om aan de huurbijdrage te komen of niet weten dat ze er recht op hebben. Gemiddeld lopen de niet-gebruikers jaarlijks een bedrag mis van 1.926 gulden. De 'lage inkomens' zijn volgens de onderzoekers oververtegenwoordigd bij de niet-gebruikers. Daar komt bij dat de huur de grootste kostenpost is van de minima en dat deze lasten juist voor arme huishoudens sterker zijn opgelopen dan voor de 'bovenminimalen'. “De huursubsidie compenseert de toename in de huuruitgaven van de laatste jaren nauwelijks”, stellen de onderzoekers.

Voor Melkert heeft het niet-gebruik een vervelende bijkomstigheid. De afgelopen jaren heeft hij eenmalige extraatjes, die bekend werden als koude-, armoede- en koopkrachttoeslagen, steeds via de huursubsidie bij de nooddruftigen terecht willen laten komen. Melkert koos voor het instrument huursubsidie “om te voorkomen dat mensen het gevoel krijgen hun hand op te moeten houden bij de sociale dienst”.

De Armoedemonitor rekent af met die hoop: “Het niet-gebruik van de huursubsidie neemt waarschijnlijk een belangrijke plaats in in de causale keten die naar armoede leidt.”