Academisch gevormd

AMSTERDAM. Het is avond, en op elk tafeltje van dit terras in Amsterdam-Zuid staat een bloempot met daarin een kaarslichtje. Op een van de tafeltjes wordt het vuur in de pot langzaam maar zeker heviger. Uiteindelijk slaan de vlammen eruit, ze werpen een gele gloed op de gezichten van de terrasbezoekers.

“Hoe kan dat?” vraag ik aan de jonge vrouw die tegenover me zit. Ze denkt even na, en terwijl een ober met een nat servet de vlammen dooft, zegt ze: “In normale omstandigheden zorgt de pit ervoor dat het kaarsvet verdampt en het zo gevormde gas brandt. Maar het is denkbaar dat het kaarsvet zo heet wordt dat het ook zonder pit verdampt, en dan wordt de vlam dus veel groter. 't Is een hypothese, hoor.”

Florentine Offerhaus is 25 en ze is vorige week afgestudeerd, als natuurkundige. Ze is blij dat het achter de rug is. Vooral de eindscriptie was een zware dobber. “Mijn horizon is maandenlang niet groter dan een A-viertje geweest”, zegt ze. Nu gaat ze eerst met vakantie naar India, en daarna ziet ze wel verder. “Wat ik ga doen weet ik nog niet. Ik wil het ook nog niet onder woorden brengen, dan leg je het vast. Het is net als met de quantummechanica: de meting beïnvloedt de werkelijkheid.” Ze schiet in de lach. “Dat is een heel gevaarlijke analogie hoor.”

Florentine heeft gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Aan een van de vier grote, klassieke universiteiten dus. Zo noemen de universiteiten van Amsterdam, Groningen, Utrecht zich tegenwoordig. Bij de opening van het academisch jaar verspreidden ze een brochure, Onderwijs op niveau geheten, waarin ze een boekje open doen over hun grondslagen en idealen. Ze typeren zich daar als “centra van kennis en creativiteit in een breed scala van disciplines, gericht op de maatschappij en de toekomst”. De wetenschap en het onderwijs dat ze bieden is volgens de vier klassieke universiteiten gebaseerd op “klassieke normen en waarden, waarin het kritische debat en de interactie van de verschillende methodologieën centraal staan.”

En ook op minder klassieke universiteiten staan de kritische zin en de interdisciplinariteit tegenwoordig in hoog aanzien. In Maastricht, Rotterdam, Nijmegen en Enschede - overal werd afgelopen maandag gepleit voor academische vorming, voor brede oriëntatie, voor intellectuelen in plaats van experts.

Florentine meldde zich zeven jaar geleden bij de universiteit. Ze was nieuwsgierig en ze had een eindexamenlijst met louter achten en een enkele negen. Er ging een wereld voor haar open, dat eerste jaar. Allerlei vakken had ze, sterrenkunde, wetenschap en samenleving, klassieke natuurkunde, wiskunde, verscheidene practica. Maar na de propedeuse werd het minder leuk. De brede oriëntatie veranderde meer en meer in een specialistische cursus. Ze brak eruit, ze werkte een half jaar in Amerika waar ze help bij het maken van lesmateriaal, en ze koos uiteindelijk voor een vrije afstudeerrichting die meer biologisch dan natuurkundig was. In het AMC-ziekenhuis deed ze onderzoek aan het netvlies van goudvissen. Haar medestudenten en docenten keken haar verwonderd aan. Biologie? Was natuurkunde soms te moeilijk?

Nu zegt ze dat ze haar studie 'op doorzettingsvermogen' heeft gehaald, en aan wetenschappelijk onderzoek moet ze voorlopig niet denken.

Wat heb je behalve natuurkunde op de universiteit geleerd, vraag ik haar. “Misschien wel dat je je eigen weg moet gaan”, zegt ze uiteindelijk. “Dat je door moet vragen als je een docent niet begrijpt, ook als hij nog zo oud en respectabel. Dat je je niks moet aantrekken van de generatiekloof.”

Aan een ander cafétafeltje zat een paar uur eerder ook een verse academicus. David Wertheim, hij is 27 en heeft geschiedenis gestudeerd. Ook hij haalde zijn bul aan de grote, klassieke Universiteit van Amsterdam, maar vijf jaar van zijn wetenschappelijke vorming ontving hij in Israël, aan de Hebrew University of Jerusalem. Hij leerde daar Hebreeuws, en dat kwam van pas bij zijn eindscriptie. David verdiepte zich in de 'Uganda-controverse'. Met die naam wordt de strijd aangeduid die in 1903 binnen de zionistische beweging uitbrak. De Britse regering bood een onbewoond stuk van Uganda aan, om daar een joodse staat te stichten. De meerderheid van de zionisten hield vast aan Palestina als de enige juiste plek, en in 1905 werd het aanbod verworpen.

Is het belangrijk om in het buitenland te studeren, vraag ik hem.

“Je hebt er veel aan”, zegt hij. “Alleen al in een ander land wonen is een bijzondere ervaring. De dingen die hier voor de hand liggen zijn daar heel anders, en omgekeerd. Als historicus leer je daarvan, want als je het verleden bestudeert maak je eigenlijk ook een reis naar een ander land.”

De docenten in Jeruzalem sloeg hij hoger aan dan hun Amsterdamse collega's: “Daar heb je toch meer mensen die in Cambridge hebben gestudeerd, en Engelse boeken schrijven.” In Israel studeerde hij behalve algemene geschiedenis ook filosofie. “Dat is in Israël veel gemakkelijker, het is gebruikelijk om twee hoofdvakken te hebben. En het is erg nuttig.” Waarom? “Filosofie helpt je de moeilijke vragen te stellen. Als je ideologieën analyseert en wil begrijpen, in mijn geval het zionisme, moet je ze op een filosofische manier benaderen.”

Twee mensen, willekeurig geselecteerd uit het register van pas afgestudeerden. Ze toonden initiatief, ze doorbraken de grenzen van hun discipline. De universiteit kan tevreden met ze zijn. Maar is het ook de verdienste van de universiteit? Stimuleerde de universiteit ze bij het zoeken naar hun eigen weg? Of deden deze academici het vooral zelf, en is het beste wat je van de universiteit kunt zeggen dat ze deze leerroutes genadiglijk toestond?

Het is goed dat de universiteiten de academische vorming ontdekt hebben. Maar het is wel laat.