Tweede-Kamerlid Dittrich (D66) pleit voor gezin Gümüs; 'De regels zijn er voor de mensen'

De toekomst van een Turkse kleermaker in Amsterdam beroert al maanden de publieke opinie, en, met enige vertraging, ook de politiek.

DEN HAAG, 3 SEPT. Als een illegaal legitimiteit zou verwerven door de aandacht die hij krijgt, zou Zekeriya Gümüs ereburger van Nederland zijn. Vorige maandag besprak de top van de coalitiepartijen zijn dossier, woensdag volgde de Tweede Kamer, vrijdag het kabinet en nu weer de Kamer.

Een debat vandaag en een stemming morgen moeten uitsluitsel geven over de toekomst van een kleermaker wiens aanvraag voor een verblijfsverguning al in 1995 werd afgewezen, maar die daarna door vasthoudende buurtbewoners in het centrum van de publieke aandacht werd gezet.

Van de 150 Kamerleden is voormalig advocaat en rechter Boris Dittrich (D66) een van degenen die het meest aanspraak kunnen maken op de rol Gümüs te verdedigen. Hij pleitte vorig jaar al voor een versoepeling van de zogeheten 'witte-illegalenregeling', een overgangsregeling op grond waarvan illegalen die een bijna legaal leven hebben geleid, alsnog een verblijfsvergunning kunnen krijgen.

U wilt een versoepeling van een regeling die u nog maar twee jaar geleden zelf heeft goedgekeurd. Is dat niet inconsequent?Jawel, maar ik vind inconsequent een te negatief woord. Er zijn sinds het goedkeuren van de circulaire ontwikkelingen geweest, bijvoorbeeld rechters die in hun uitspraken van de regel afweken. Ook tijdens contacten met de praktijk heb ik geleerd dat we te streng zijn geweest. Als wij ons destijds al de concrete gevolgen hadden gerealiseerd, hadden we ons toen al anders opgesteld. Om dan nu toch maar vast te houden aan de regel omdat we die nu eenmaal hebben vastgelegd, vind ik onzin. De regels zijn er voor de mensen, de mensen niet voor de regels.

Wist u dan in 1995 wel waar u het over had?

Nou, u kunt wel concluderen dat we toen niet hebben voorzien wat voor pijnlijke gevolgen dat zou hebben.

Waarom heeft juist het geval Gümüs zoveel aandacht getrokken?

Ik denk dat het met de komkommertijd te maken heeft. Verder gaat het om een begrijpelijke casus. Een man en vrouw met een eigen bedrijfje en twee kinderen, je kunt ze in beeld brengen, ze spreken Nederlands.

Hoe belangrijk is de aandacht in de media voor het activeren van politici?

Belangrijk. Toen er geen media-aandacht was en ik in oktober vorig jaar een versoepeling bepleitte, werd het punt gewoon afgeserveerd. In het afgelopen zomerreces is de familie een symbool geworden voor de uitwerking van de regeling. Daardoor gingen veel mensen zich er in verdiepen en vragen zij: wat voor rare regeling is dat eigenlijk?

Wie het best de media bespeelt maakt de meeste kans op aandacht van de Kamer?

Nou, als mijn fractie zou vinden dat er geen kern van waarheid in de actie zou zitten, zouden we de kwestie genegeerd hebben. Maar het is waar: als iets niet in de media komt, word je als Kamerlid ook niks gevraagd. Ik heb in september 1996 al een opiniestuk in Het Parool geschreven over het geval Gümüs. Daar is nooit door iemand iets over gezegd. Toen ik bijna hetzelfde artikel in augustus 1997 nog een keer schreef, kreeg ik daar heel veel reacties op.

Hoe verklaart u de relatief grote sympathie voor Gümüs in vergelijking met die voor Iraanse asielzoekers die afgelopen zomer in hongerstaking gingen?

Ik kan de publieke beleving niet verklaren. Mijn eigen houding is dat Gümüs behoort tot een groep illegalen die zich voor 1990 bij de overheid meldden en een sofi-nummer kregen. Bij hen werden dus verwachtingen gewekt. De asielzoeker uit Iran daarentegen weet dat hij in een procedure terechtkomt die ook met afwijzing kan eindigen. De overheid heeft daar geen verwachtingen gewekt. Als je na zorgvuldige afweging tot de conclusie komt dat zo iemand geen recht op asiel heeft, moet je zo iemand ook terugsturen.

Het lot van de illegaal Gümüs is inmiddels besproken in het Catshuis, in de Kamer, in het kabinet en komt nu weer in de Kamer. Zegt dat iets over Nederland?

In de Nederlandse politiek is niemand er op uit een heftige splitsing in de samenleving teweeg te brengen. Dat ligt misschien anders in ander landen, waar men sneller zegt: nou, volgens de regels kan het niet, dus hup, eruit.

Tegelijkertijd lijkt het of noch het kabinet noch de Kamer een beslissing durft te nemen.

Dat vind ik ook bijzonder pijnlijk. Ik vind het ook niet terecht dat premier Kok vrijdag na de ministerraad zei dat 'de bal' nu weer bij de Kamer ligt. Het gaat hier wel gewoon over mensen. Verder is het raar om te zeggen dat de Kamer geen beslissing durft te nemen. Als het aan D66 lag, zouden de regels al verruimd zijn, maar de Kamer is nu eenmaal een afspiegeling van de bevolking. Daar zijn ook verschillende meningen.

Uw vader kwam in 1948 als asielzoeker uit Tsjechoslowakije, waar de communisten de macht overnamen. Speelt dat een rol bij uw opstelling?

Dat heb ik mezelf ook afgevraagd. Ik ben zelf in Nederland geboren (net als de jongste zoon Gümüs, red.) en ik heb me voorgesteld hoe het geweest zou zijn als ik op mijn zevende het land zou zijn uitgezet. Het zou vreselijk zijn geweest. Je hebt je eigen rol in de klas, je eigen vrienden op straat. Maar toch denk ik dat ik me meer laat leiden door een algemeen humanistische opstelling. Ik vind de mens heel belangrijk en wil geen onnodige schade berokkenen.

Officieel debatteert de Tweede Kamer vanmiddag niet over het gezin Gümüs maar over de 'witte-illegalenregeling'. Een beknopte geschiedenis van een 'typisch Nederlands' aandoende regeling.

Tot eind 1991 was het mogelijk dat een illegaal een sofi-nummer had, ingeschreven stond bij het bevolkingsregister en een regulier leven opbouwde. Per 1 januari 1992 werd aan deze mogelijkheid een eind gemaakt. Illegalen die al langere tijd een bijna-legaal leven leidden, kregen in de praktijk vrij makkelijk een verblijfsvergunning. Dit leidde volgens de Raad van State tot willekeur.

Eind 1994 drong de Raad er bij de staatssecretaris van Justitie op aan de toelatingspraktijk op schrift vast te leggen en objectieve criteria te stellen. Daarop stuurde de staatssecretaris op de eerste dag van het Kerstreces een circulaire naar de Kamer. De circulaire legde volgens haar slechts bestaand beleid vast en kon wat de staatssecretaris betreft op 1 januari 1995 ingaan. Belangrijkste criterium voor het verstrekken van een verblijfsvergunning was dat een illegaal ten minste zes jaar belasting en premies moest hebben afgedragen over in Nederland genoten inkomen.

De Tweede Kamer was verontwaardigd. “Als iemand zonder rijbewijs rijdt maar wel wegenbelasting betaalt, krijgt hij toch ook niet alsnog een rijbewijs”, vond de fractie van het CDA.

Nadat de staatssecretaris had uitgelegd dat het een overgangsregeling betrof die zes jaar na 1 jan 1992 zou aflopen, ging de Kamer alsnog akkoord. Naar aanleiding van het geval Gümüs, die in plaats van zes jaar slechts twee jaar en tien maanden 'wit werken' kan aantonen, pleiten PvdA, D66 en GroenLinks nu voor een versoepeling van de circulaire.