Studiekeuze valt wel degelijk financieel te beïnvloeden

De studiekeuze van aankomende studenten is een complex verschijnsel. De afnemende belangstelling voor bèta-studies daarbij was aanleiding voor een studie van een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), waarvan ik voorzitter was. De commissie kwam tot de conclusie dat er vele factoren zijn die de belangstelling voor bèta-studies bepalen, waarvan sommige van culturele of sociale aard, die nauwelijks te veranderen zijn, maar andere factoren mogelijk wel te beïnvloeden zijn.

Wij schreven daarover een nogal genuanceerd rapport. Als dat wordt samengevat alsof de commissie “de daling van het aantal studenten in exacte studies toeschrijft aan de recente veranderingen in de studiefinanciering”, zoals Webbink en De Jong doen (NRC Handelsblad, 28 augustus), dan maak je het jezelf wel erg gemakkelijk om het aan te vallen. Onze commissie noemt nog een groot aantal andere factoren, waaronder die van het gebrek aan stimulering op het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO).

Een van de kernpunten uit het verhaal van Webbink en De Jong is dat er een geringe prijselasticiteit is in de keuze van studierichtingen. Dat is zo, maar die elasticiteit is zeker niet nul. De laatste jaren is bijvoorbeeld de studiebeurs voor studenten met een HBO-diploma die nog een WO-studie willen volgen vrijwel afgeschaft, met handhaving van de mogelijkheid op zich, maar dan geheel voor eigen rekening. Prompt is het aantal studenten met een TH-diploma (de vroegere HTS) aan de TU Delft vrijwel tot nul gereduceerd. Daar kun je verschillend over denken, maar blijkbaar is de (geringe) bijdrage van de studiefinanciering toch nodig om verder te willen studeren.

De ongenuanceerde stelling van Webbink en De Jong aan het eind van hun stukje, (“dat het leggen van een causale relatie tussen de recente veranderingen in de studiefinanciering en het risico-mijdend gedrag van studenten louter speculatie is en in strijd is met gegevens uit empirisch onderzoek”), volgt alleen uit hun betoog en onderzoek als je 'weinig effect' of 'weinig van bekend' steeds interpreteert als 'nul effect', en als je concludeert dat er geen risco-mijdend gedrag is als er ergens ook risico-zoekend gedrag is. Dat is denken dat je bewezen hebt dat er geen witte zwanen zijn als je een zwarte hebt gevonden.

Onze commissie constateerde dat het toch wel erg opvallend was dat direct na het invoeren van de tempobeurs/prestatiebeurs het aantal eerstejaars studenten in het wetenschappelijk onderwijs relatief daalde, en dat in een groot aantal bèta-richtingen, en toevallig net de als moeilijk bekend staande studierichtingen, het aantal studenten nog sterker daalde. Wij noemen dat risico-mijdend gedrag, en stellen dat je het kunt tegengaan door prikkels en premies die de andere kant op werken.

Gelukkig doen sommigen dat ook. De technische universiteiten geven premies aan goede studenten, sommige werkgevers stellen extra beurzen voor technische studies beschikbaar. Daardoor zal niet iedereen plotseling een technische studie gaan volgen, maar dat het er meer zullen zijn lijkt mij toch een redelijke verwachting.