Steun Haarlems Toneel op komst

HAARLEM 3 SEPT. Staatssecretaris Nuis van het ministerie van OC en W is onder voorwaarden bereid mee te werken aan een eventuele doorstart van het Haarlems Toneel. Het gezelschap werd afgelopen juli failliet verklaard, nadat een begrotingstekort van 1,2 miljoen gulden aan het licht was gekomen.

Het gezelschap wil nu proberen in afgeslankte vorm per 1 januari 1998 opnieuw te beginnen. In plaats van, zoals voorheen, drie à vier producties per jaar uit te brengen wil artistiek leidster Joanna Bilska jaarlijks twee producties voor de grote zaal maken met een bezetting van ten hoogste vijf à zes acteurs.

In een brief aan curator P. Greuter schrijft Nuis 'in principe genegen' te zijn de voor de oude Stichting Haarlems Toneel gereserveerde middelen - tot het jaar 2000 ongeveer negen ton - “voor een nieuwe instelling voorlopig beschikbaar te houden.” Als belangrijkste voorwaarden stelt hij dat “het verleden juist wordt geanalyseerd” en dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlem “een substantiële financiële bijdrage” leveren. Vooralsnog heeft de staatssecretaris de subsidiëring stopgezet en een deel van de voorschotten teruggevorderd.

Het Haarlems Toneel kreeg de eerste vijf jaar van zijn bestaan geen structurele subsidie. De gemeente Haarlem ondersteunde het gezelschap slechts met gratis faciliteiten en huisvesting in de Haarlemse schouwburg. De nieuwe start is nu volgens curator P. Greuter mede mogelijk doordat het gezelschap sinds januari van dit jaar, overigens in weerwil van een negatief advies van de Raad voor Cultuur, subsidies van 300.000 gulden van het ministerie van OC en W en van 50.000 gulden van de provincie Noord-Holland per jaar ontvangt. Ten behoeve van de doorstart wordt een nieuwe stichting opgericht die de activa - decors, bureaus en kostuums - van de oude stichting overneemt. De opbrengst daarvan - volgens Greuter “naar verwachting zeer gering” - komt ten goede aan de crediteuren van de oude stichting. Het nieuwe gezelschap kan volgens de curator volstaan met een begroting van circa 600.000 gulden per jaar.

Als belangrijkste voorwaarde voor zijn medewerking stelt de staatssecretaris dat “het verleden juist wordt geanalyseerd”. Het cumulatieve begrotingstekort, waarvan de omvang de staatsseceretaris “zeer verbaasd” heeft, moet volgens het Haarlems Toneel worden toegeschreven aan de zogeheten 5-plus regeling. Deze regeling maakt het mogelijk dat acht grote gesubsidieerde theatergezelschappen (waaronder niet Het Haarlems Toneel) met ingang van dit jaar met vijf producties op tournee gaan langs middelgrote theaters. De theaters die deze voorstellingen afnemen, kunnen dat tegen een lager tarief doen. Daardoor werden volgens het gezelschap van de 160 voorstellingen die het verkopen moet om te kunnen overleven slechts 103 voorstelingen afgezet.

Volgens Nuis heeft de 5-plus regeling inderdaad “de concurrentie wat (-) verscherpt”, maar hij heeft tevens de indruk “dat het verminderde vertrouwen van de afnemers in het produkt van het Haarlems Toneel een nergens vermelde, maar niettemin belangrijke, rol speelt”. Hij wijst er in dit verband op dat het Fonds voor de Podiumkunsten zich bereid heeft verklaard de inkomsten die het gezelschap misloopt vanwege de 5-plus regeling te vergoeden. Het Haarlems Toneel had zelf aan het Fonds opgegeven dat het om 12 à 13 voorstellingen ging en had daarvoor 50.000 gulden schadeloossteling aangeboden gekregen.

In afwachting van de “juiste” analyse van de oorzaak van het tekort en waarborgen “voor een goed financieel beheer” heeft de staatsecretaris de subsidie aan het Haarlems Toneel ingetrokken en een deel van de voorschotten op het subsidiebedrag teruggevorderd.

R. Dubois, voorzitter van het bestuur, wil pas na overleg met de Haarlemse wethouder Kunstzaken, J. Haverkort, en met de provincie Noord-Holland reageren op de brief van Nuis. Volgens hem weet de staatssecretaris “heel goed dat de 5-plus regeling wel degelijk de oorzaak is van het tekort”. Het Haarlems Toneel was, zo stelt Dubois, gemeten naar publiekstoeloop, “het vierde of vijfde gezelschap van het land.” Het gezelschap “deed het wat dat betreft beter dan bij voorbeeld Toneelgroep Amsterdam of het Theater van het Oosten”. Volgens Dubois hangt de doorstart van het Haarlems Toneel nu af van de bereidheid van de gemeente Haarlem en de provincie Noord-Holland om het gezelschap subsidie dan wel meer subsidie te verlenen. Hij vindt overigens dat De Jong en hij hun functies moeten neerleggen als het Haarlems Toneel in de gelegenheid wordt gesteld opnieuw te beginnen.