Nutteloos

De verlengde adolescentie die studententijd heet, komt steeds meer onder druk te staan. Als ik terugdenk aan mijn eigen studietijd, in de jaren zeventig, schaam ik me bijna over zoveel oeverloosheid. Niet dat ik de tijd met lanterfanten doorbracht, maar er was heel veel ruimte om je zomaar ergens in te storten, zonder dat dat speciaal ergens toe moest leiden. De nutteloosheid vierde hoogtij, zou je kunnen zeggen met de koele blik van een functionalist in de jaren negentig.

De massale toeloop naar de universiteiten maakte een eind aan de vrijheid, met als belangrijkste ingreep de reductie van de studieduur van zes (gemiddeld acht) jaar naar vier jaar. Dat was onvermijdelijk. Een maatschappij kan het zich op den duur niet meer permitteren om zoveel jongeren in hun zelfontplooiing te subsidiëren. Het verschil tussen werkende en studerende jongeren was ook te schrijnend geworden. Het is toch een beetje raar dat de ene adolescent gaat werken bij een baas en alle plichten en verantwoordelijkheden van een volwassene krijgt, terwijl de andere adolescent acht jaar lang in de speeltuin van wetenschap en liefde mag verblijven en op de koop toe een beter betaalde baan krijgt.

Een universitaire opleiding van vier jaar is vast niet minder waard dan eentje van zes jaar. Tenslotte houden de meeste andere landen het ook bij vier. Als tenminste de opleiding maar breed genoeg is voor uiteenlopende soorten van werk. Maar een veel gehoorde klacht over universitaire studies luidt juist dat de opleidingen zo slecht bij de praktijk aansluiten. Bij het HBO heb je dat minder en dat vormt blijkbaar voor veel hoger-onderwijsgegadigden een reden om naar het HBO te gaan in plaats van naar de universiteit. De terugloop van studentenaanmeldingen zet universiteiten op hun beurt ertoe aan om de opleidingen praktijkgerichter te maken, zodat de twee vormen van hoger onderwijs steeds meer naar elkaar toe kruipen.

Het meest recente voorbeeld van deze merkwaardige ontwikkeling is het voorstel van minister Ritzen dat studenten een baantje moeten aannemen dat aansluit op hun studie 'om de kloof met de arbeidsmarkt te verkleinen'. Let wel: hij heeft het over een baantje tijdens de studie. Wie zich wel eens heeft verdiept in de moeite die het kost om geschikte stageplaatsen te vinden (waar een student iets aan heeft zonder dat de echte werkers gillend gek worden) zal de minister hartelijk uitlachen. Voor bedrijven en instellingen is het enige pluspunt van stagiairs dat ze niet betaald hoeven te worden. Ik ben benieuwd hoeveel nuttige betaalde baantjes er te vergeven zijn.

Behalve praktische onhaalbaarheid heeft dat plan ook inhoudelijke bezwaren. Waarom moet alles wat een student doet per se nuttig zijn voor de latere beroepsuitoefening? In het benauwde, functionele perspectief van de beroepspraktijk wordt de schijn niet eens meer opgehouden dat het op de universiteit vanouds gaat om algemene vorming en theoretische bagage. Niet als in zichzelf verzonken waarden, maar als voorwaarden om de veelvormige praktijk te lijf te kunnen. Hoe algemener de opleiding, hoe breder tezijnertijd de inzetbaarheid van de afgestudeerde. De praktijk zorgt intussen wel voor zichzelf, lijkt me. Met een maand of drie kan elke kersvers afgestudeerde noviet overal op zijn terrein ingewerkt zijn.

Dat een student werkervaring opdoet tijdens zijn studie is op zichzelf zinvol, maar het zou werk moeten zijn dat juist geen verband houdt met de latere beroepsuitoefening. Een rechtenstudent moet dus juist niet naar een advocatenkantoor, maar achter de tap in een café of gaan laden en lossen in de haven.

Nu al staat alles wat er in die vier jaar gebeurt in het teken van de latere baan of carrière. Al het nutteloze wordt geschrapt met het oog op een doelbewust curriculum vitae. Maar werk dat niets met studie of carrière te maken heeft, verruimt wel de horizon. Dit soort werk dicht geen kloof tussen opleiding en beroepspraktijk, maar tussen speeltuin en het werkelijke leven. Als professional leer je er niet veel van, als mens des te meer.