J. van Tijn (1938-1997); Interviewer van eenzame klasse

In de laatste klas van het Amsterdams Lyceum had Joop van Tijn zijn maatschappelijke carrière al in vastberaden lijnen uitgestippeld: de eerste twintig jaar zou hij in de journalistiek gaan om de beste politieke interviewer van Nederland te worden; de volgende twintig jaar zou hij de publieke zaak dienen en nog vóór zijn veertigste minister-president van Nederland zijn.

De 18-jarige gymnasiast, die net zijn einddiploma op zak had, had niemands aanmoediging nodig om meteen maar op het hoogste in te zetten. Hij deed het met zo'n innemende roekeloosheid dat het eigenlijk ook heel vanzelfsprekend was dat het zo zou lopen. De jonge Van Tijn was er van overtuigd dat hij voor het hoogste in de wieg was gelegd, en wel om de eenvoudige reden dat hij niet voor het een na hoogste was geoormerkt. Zoals het hem van huis uit was bijgebracht met het Duitse aforisme: Früh übt sich wer ein Meister werden will.

Zijn eerste ambitie zou hij met vlag en wimpel bereiken, zij het in eerste instantie bij de journalistiek-literaire Gideonsbende van de roze Haagse Post, maar van zijn tweede streven zou niets terechtkomen.

Gelukkig voor de journalistiek was die ambitie, bij gebrek aan praktische politieke eerzucht, al lang voor zijn veertigste verdampt. J.v.Tijn (hij signeerde zijn stukken nooit voluit) bleef heel zijn leven zijn journalistieke liefde trouw en bereikte daarin een hoogte die slechts weinigen zouden halen. Een politieke interviewer van een eenzame klasse. Van Tijn vestigde in dat genre een sindsdien niet meer geëvenaard record: negen opeenvolgende premiers sinds De Quay onderwierp hij aan zijn publieke vuurproeven. Won hij (en 'altijd winnen' was zijn devies), dan gaf hem dat niet zozeer een triomfantelijke, alswel een vanzelfsprekende voldoening. Het was geen schande van Joop van Tijn te verliezen, maar de meeste premiers (Den Uyl in de eerste plaats) trokken toch liever in een parlementair debat aan het kortste eind dan in een verbale tweekamp met de meest gehaaide journalist van Nederland. Een overwinning van de laatste, of die nu behaald werd op papier (Vrij Nederland) of op de televisie (NOS/VARA/VPRO), trok nu eenmaal meer bekijks.

Sylvia Brandts Buys was de eerste die zijn hoogvliegersaspiraties ruim baan gaf en hem bij haar Haagse Post liet begaan. Zij was getrouwd met de politieke commentator mr. G.B.J. Hiltermann en de baas van de Haagse Post (de enige krant in Nederland die door een vrouw werd geleid), waar begin jaren zestig een verscheidenheid aan anarchistische talenten werkte (Vinkenoog, Vrijman, Armando, Sleutelaar, Brusse).

De bijna-afgestudeerde Van Tijn, die als redacteur van het studentenblad Propria Cures al naam had gemaakt, manifesteerde zich ook daar met zijn natuurlijke gebrek aan bedeesdheid als het grootste jonge talent dat de redactie ooit in huis had gehad. De schrijvende Cruijff (de vergelijking liet hij zich graag welgevallen) kritiseerde de minister van Buitenlandse Zaken Luns alsof hij al jaren meeliep, hij schreef sardonische, wat overmoedige commentaren over het “vermolmde gezag” (dat desondanks stevig in het zadel zat) en hij interviewde met een door niets gehinderde onbevangenheid de Indonesische president Soekarno. De Haagse Post trapte daarmee op gevoelige Haagse tenen, maar dat prikkelde alleen maar Van Tijns zintuig voor succes.

Evenals Sylvia Brandts Buys was Van Tijn in Batavia geboren en die gemeenschappelijke achtergrond gaf een band (maar ook het gevoel bijzonder te zijn), die volgens de collega's zijn uitzonderingspositie verklaarde. De werkelijke verklaring was dat Brandts Buys bewondering had voor zijn drie best ontwikkelde kwaliteiten: zijn intelligentie, zijn humor en zijn charisma.

Vele politici zouden buigen voor die combinatie van eigenschappen, die in de jaren zeventig soms mooie televisie opleverde en prachtige stukken in Vrij Nederland, het weekblad waaraan hij vanaf het midden van de jaren zestig tot aan zijn dood verbonden zou zijn. Gijs van der Wiel, de legendarische vroegere spreekbuis van de regering (hoofddirecteur Rijksvoorlichtingsdienst), omschreef Joop van Tijn bij zijn vijftigste verjaardag als de “zielenknijper van het Binnenhof”. Vanuit de 'dug-out' zag Van der Wiel van dichtbij hoe ministers tegenover de interviewer Van Tijn “openklapten”, hetzij doordat zij niet bestand waren tegen zijn charme (in combinatie met zijn natuurlijke slimheid een dodelijk wapen), hetzij doordat zij vaak niet terug hadden van zijn grondige voorbereiding.

“Afwisselend zette hij schranderheid en charme in en met beide eigenschappen was hij ruim bedeeld”, aldus Van der Wiel in 1988. Het geheim van Joop van Tijns therapeutisch succes zat in een dubbele frappe: hij kon ontwapenend goed luisteren en op het juiste moment lachen. Zijn lachen was een deel van zijn wapenrusting. Als hij lachte maakte hij een markant geluid, waarin goedaardige warmte en boosaardige hoon elkaar naar behoefte aflosten.

In zijn interviews veroverde Joop van Tijn vaak een psychologisch overwicht door een uitgekookte tactiek van aaien en toeslaan. Achter zijn plumeau ging altijd een ijzeren vuist schuil. Met die onovertroffen techniek boekte hij historische resultaten, zoals in het gedenkwaardige vraaggesprek met prof. Piet Steenkamp, de grondlegger van het CDA, die publiekelijk zijn ziel blootlegde (eerst in Vrij Nederland, later nog eens op de televisie) en dingen zei die hem nog jaren hebben achtervolgd.

Van Tijn ondervroeg hem over de financiële moraal van de christen-democratie, die door enkele incidenten in opspraak was gekomen en dreef de 'rode', maar fijn-katholieke professor met enig vertoon van beschaafd antipapisme en stekelige argwaan in het nauw. Die tactiek werkte en resulteerde in de bekentenis dat “het eigen geweten bij ons katholieken niet voldoende is ontwikkeld”. Op zulke momenten straalde Van Tijn een hogepriesterlijk vertrouwen uit, dat de politieke boksring in een biechstoel veranderde.

Ook premier Van Agt, die wel getypeerd is als een politicus die achter een façade van vrolijke bloemetjes een blok beton verborg, moest aan de methode-Van Tijn geloven. Van Agt stak zijn bewondering voor Van Tijns vrolijke schranderheid nooit onder stoelen of banken. Zo'n dekselse slimmerik uit het joodse Amsterdam was toch weer wat anders dan een slimmerik van beneden de rivieren. Eigenlijk gaf Van Agt daarmee te kennen dat hij in de verbale schermkunst van aanvallen en pareren zijn evenknie gevonden had. Maar Van Agt won evenveel terrein als hij verloor, doordat hij erin slaagde Van Tijn te ontwapenen. Joop van Tijn had een zwak voor verbale virtuozen, zoals hij dat ook had voor eigenzinnige intellectuelen en in het algemeen voor de gave des woords (I.A. Diepenhorst). Tegenover figuren als Den Uyl, Van Agt, Wiegel en Van Mierlo (van elke politieke richting één) toonde hij zich altijd in zijn element, maar hij scoorde zelden punten doordat hij zich te veel liet innemen.

Hoewel hij geen superieur stilist was en hij de laatste jaren, waarin de organisatorische taken van het hoofdredacteurschap van Vrij Nederland hem grotendeels in beslag hadden genomen, nog maar weinig schreef, was Joop van Tijn onmiskenbaar een van de meest briljante praters op de Nederlandse radio.

Zijn zinnen liepen mooi, maar dat deden ze naar zijn eigen zin pas echt als er een flitsende grap in zat, een witz die nog sneller ging dan het geluid. Hij was woordspelig en gevat, hij zat nooit om een klassieke Franse of Engelse uitdrukking verlegen en in het debat passeerde hij iedereen links of rechts met razendsnelle tournures. Hij sprak een prachtig foutloos Frans, dat hem soms groot voordeel opleverde. Als hij in Frankrijk zijn naam noemde, bogen de hotelportiers, in de veronderstelling dat ze met de beroemde meneer Fontaine van Le Monde te doen hadden.

Met de moderne poëzie had Joop van Tijn een even intense verhouding als met de moderne symfonische en kamermuziek. Hij kende hele bundels van Herzberg, Kouwenaar en Lucebert uit zijn hoofd, maar reciteerde, onvoorbereid, Achterberg even gemakkelijk als Nijhoff. In een poëzie-uitzending van de Welingelichte Kringen, waarover hij 22 jaar onafgebroken de scepter zwaaide, deed hij niet alleen de luisteraar maar ook zichzelf versteld staan door het grote gedicht van Jan Prins over de havens van Rotterdam (De stad waar men is kind geweest) zonder haperingen uit het hoofd op te zeggen. Hij had het ruim vijftig jaar geleden, ik meen in zijn Jappenkamp, erin gestampt. En het kwam er tot zijn eigen verbazing nu weer ongeschonden uit tevoorschijn. Te Rotterdam ben ik geboren Onder den adem van de Maas En liep ik, met mijn eigen stilte, Temidden van het straatgeraas.

Geen bijzonder gedicht, wel een kleurrijk gedicht. Zelf had hij het altijd “de mooiste catalogus van geuren gevonden die ooit over een haven is geschreven”.