Clara Law filmt ontworteling teder en zonder moraliseren; Scènes uit de Chinese diaspora

Floating Life. Regie: Clara Law. Met: Annie Yip, Annette Shun Wah, Edwin Pang, Cecilia Fong Sing Lee, Anthony Wong. In: Rialto, Amsterdam; Lantaren/Venster, Rotterdam; Haags Filmhuis; Plaza Futura, Eindhoven; Cinemariënburg, Nijmegen.

Dat Floating Life me bij was gebleven als de beste film van het afgelopen International Filmfestival Rotterdam, valt slechts ten dele te verklaren uit het interessante thema of het originele scenario. De reden is vooral de fluisterende, maar kristalheldere filmtaal van regisseuse Clara Law (Macao, 1957). Van haar grote voorbeelden Ozu en Tarkovski heeft ze, zonder de rigiditeit van de eerste en de mystiek van de laatste, wel de hoofdzaak geleerd: het overbrengen van het gevoel dat de handelingen van de personages motiveert door een rustige, precieze, tijd en ruimte naar haar hand zettende persoonlijke filmstijl.

Zoals veel voormalige inwoners van Hongkong woont de aan de Engelse National Film and Television School opgeleide Law sinds enige tijd in Australië. Was de desintegratie van de voormalige kroonkolonie en de onderhuidse spanning tussen Oost en West al het thema van Laws eerdere Autumn Moon/Qiuyue (1992), haar eerste Australische productie Floating Life (met Engelse, Kantonese en Duitse dialogen) zou als ondertitel kunnen dragen: 'scènes uit de Chinese diaspora'. In door titelkaarten, die telkens naar een ander huis verwijzen, gescheiden hoofdstukken laat Law zien hoe de leden van een omvangrijke familie in verschillende werelddelen wortel trachten te schieten. Hongkongers hebben weinig ervaring met ruimte en met natuur, dus wordt het oudere echtpaar dat naar Australië emigreert verblind door het felbleke licht. Ze verdwalen in de ruim opgezette villawijk en zijn als de dood voor honden en kangoeroes. Een van hun dochters bevindt zich al een tijdje in Sydney en zij heeft zich krampachtig geassimileerd. Haar huis is zo steriel als zijzelf geworden is, geterroriseerd door angst en depressiviteit. Een andere dochter woont in de buurt van München en die lijkt haar ontworteling met meer souplesse te aanvaarden. Dan is er een zoon, die in Hongkong, dansend op de vulkaan, op zijn uitreisvisum wacht, en zijn er twee tienerzonen, die vreugdevol en moeiteloos de dominante, door Amerika geïnspireerde cultuur omarmen.

Met gevoel voor humor en subtiele opmerkzaamheid zet Law (ze schreef het scenario samen met Eddie Fong) zonder te moraliseren de diverse modaliteiten naast elkaar. Hoewel alle typische overlevingsstrategieën van de emigrant vertegenwoordigd zijn, is de film geen schematische catalogus geworden. Van belang is vooral de impliciete spiritualiteit, die uit bijna elk beeld spreekt. Als de vader een schaduwbokshouding aanneemt tegenover een kangoeroe of de moeder aan het slot van de film een keffertje tot de orde weet te roepen, dan zijn dat geestige taferelen, maar ze vertegenwoordigen ook een vorm van wijsheid. Er zijn maar weinig actieve filmkunstenaars die de simpelste beelden voor zichzelf kunnen laten spreken, en er tegelijkertijd betekenis aan geven, voor wie dat zien wil.

In Floating Life bereikt Law een van de hoogste doelen die een filmer nastreven kan: sublieme eenvoud. Het teken dat op het graf van Yasujiro Ozu prijkt laat zich vertalen als: 'niets'.