Citaten uit het vonnis in de zaak Brinkman

Citaten uit het vonnis van de president van de Haagse rechtbank, mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, in de zaak van de Rotterdamse korpschef Brinkman:

“Niet gezegd kan worden dat het conflict met de Ondernemingsraad is veroorzaakt door Brinkman of dat hij daarvoor in hoofdzaak verantwoordelijk kan worden gehouden.”

Op 2 juni aanvaardt het regionaal college Pepers rapport 'Beleid in balans', met daarin een oplossing voor het conflict tussen Brinkman en de OR. De korpschef heeft bezwaren en vraagt bedenktijd. Op 4 juni verklaart hij zich akkoord met Pepers rapport. Het college toont zich geschokt over het optreden van Brinkman. De rechter: “Gelet op het feit dat daarin tegen de afspraak van 30 mei (tussen Brinkman en Peper, red.) in toch het voorstel gedaan werd om een vijfde man aan de korpsleiding toe te voegen (waar Brinkman tegen was, red.) ...ziet de president niet waarom het Brinkman niet vrij- stond hierop te reageren”.

Op 5 juni stelt het regionaal college vast dat Brinkman het vertrouwen 'ernstig heeft ondermijnd'. Op 6 juni rapporteert korpsbeheerder Peper aan Dijkstal dat het vertrouwen onherstelbaar was beschadigd. De rechter: “Het staat vooralsnog niet vast dat deze conclusie op dat moment ook de conclusie van het regionaal college als geheel was.” En: “Het incident (...) is te onbetekenend om als oorzaak van een vertrouwensbreuk te kunnen worden beschouwd.”

Op 24 juni stuurt korpsbeheerder Peper een lang rapport over de kwestie-Brinkman naar minister Dijkstal. De rechter: “Dit rapport is slechts te kwalificeren als uiterst subjectief en suggestief. Het getuigt niet van een grote mate van zorgvuldigheid.”. Peper geeft volgens de rechter “een niet voldoende concreet onderbouwd waarde-oordeel over Brinkmans functioneren en diens karakter.”

“Brinkman is ten onrechte en in strijd met het beginsel van fair play niet in dezelfde mate als Peper en het regionaal college in staat gesteld zijn visie te geven.”

Op 2 augustus wordt B.A. Lutken per 1 oktober tot korpschef in Rotterdam benoemd. De rechter: “Dat met de benoeming niet gewacht kon worden tot na de uitspraak (in de bezwaarprocedure van Brinkman) is onvoldoende aannemelijk gemaakt.”

De ministers Dijkstal en Sorgdrager hebben “ten minste de schijn op zich geladen deze snelle benoeming te gebruiken om de zin aan de onderhavige procedure te ontnemen en de president onder druk te zetten”.