Beroepsvisserij laat zich niet meer afkopen; Nog 700.000 zalmen te gaan

Het North Atlantic Salmon Fund, een particuliere organisatie, kocht de laatste jaren de vangstquota van zalmvissers in het westen van Groenland en van de Faerr. Het fonds wordt behalve door regeringen gefinancierd door sportvissers die alle belang hebben bij deze economische aanpak van milieubescherming. Na het aanvankelijke succes dreigt de regeling nu echter spaak te lopen. Terwijl er nauwelijks nog wilde zalmen over zijn.

'Ik ben diep teleurgesteld in de regering van Groenland. Ondanks de waarschuwingen van wetenschappers dat de zalmstand nabij Groenland een rampzalig dieptepunt heeft bereikt, is de Groenlandse vissers een enorm quotum zalm verleend.'' Orri Vigfusson (62) is aangeslagen. In 1989 richtte Orri, zoals hij naar IJslandse gewoonte overal wordt genoemd, het North Atlantic Salmon Fund op. Met het geld dat hij kreeg van sommige regeringen (zoals van de VS, Frankrijk en Canada) en van enthousiaste en meestal welgestelde sportvissers - op zalm vissen in een rivier in IJsland of Schotland is een kostbare hobby - kocht hij de quota op van de beroepsvissers in het westen van Groenland en de Faerr.

Dit waren sinds jaren de enige landen rond het noorden van de Atlantische Oceaan waar de zalmvisserij op volle zee nog plaats had. De andere kuststaten, met uitzondering van enkele delen van Canada, hadden dat al eerder verboden om de mysterieuze vis voor uitsterven te behoeden. Orri: “De laatste twee jaar en ook daarvoor hebben we 98 procent opgekocht van alle zalmquota die worden vastgesteld door de in 1984 opgerichte North Atlantic Salmon Conservation Organisation (NASCO), waarvan alle landen rond het noorden van de Atlantische Oceaan lid zijn. Maar met Groenland bleek dit jaar geen akkoord mogelijk. Hoewel de regering onze doelstelling - bescherming van de zalm - zegt te steunen, is ze door de knieën gegaan voor politieke druk van de organisaties van de kustvissers.”

De teleurstelling van Orri gaat dieper dan de hervatting van de zalmvangst bij Groenland. “De belangrijkste Europese landen waar de wilde zalm voorkomt - het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Noorwegen - hebben het af laten weten. Ze hebben nauwelijks of geen maatregelen genomen om de kustvisserij naar zalm aan banden te leggen. In Ierland en Noordoost-Engeland wordt nog steeds met drijfnetten op zalm gevist. Ook het zogenoemde interceptory fishing (met netten voor de mondingen van zalmrivieren in Ierland en Schotland) gaat nog steeds door. En dat terwijl de wetenschappers van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) steeds pessimistischer worden.”

Orri houdt er rekening mee dat de zalmvissers op de Faerr, de eilandengroep tussen Schotland en IJsland, in navolging van de Groenlanders volgend jaar eveneens de zalmvisserij op de oceaan hervatten. “De Faerr hebben een moratorium van zeven jaar in acht genomen. Als andere landen niets doen of zoals Groenland de vangst hervatten, dan kan ik de Faerr-vissers niet kwalijk nemen dat ze niet langer genoegen nemen met het geld dat wij voor hun quota willen betalen.”

Orri Vigfusson, een geslaagd zakenman, is al tientallen jaren een verwoed sportvisser op zalm, die in circa 200 rivieren op IJsland voorkomt. Ook in Schotland, Groot-Brittannië en Ierland alsmede Noorwegen zijn nog zalmrivieren. In grote delen van het Europese vasteland is de 'King of the Fish' vrijwel verdwenen, meestal omdat het water in de rivieren te vervuild is of doordat de zalm zijn geboortegronden door dammen en andere kunstwerken in de rivieren niet meer kan bereiken. Uitzonderingen zijn Spanje en vooral Frankrijk. In de Loire en de Allier, twee belangrijke 'wilde' rivieren in Frankrijk, zijn dammen opgeruimd of van zalmtrappen voorzien om de vis in staat te stellen terug te keren naar zijn geboortegrond. Kleinere rivieren, onder andere in de Dordogne, worden schoongemaakt. De Franse regering is een van de weinige in Europa die substantieel (50 miljoen francs) heeft bijgedragen aan het North Atlantic Salmon Conservation Fund dat Orri Vigfusson in 1989 oprichtte.

Economische factoren waren daartoe de aanleiding. In dat jaar waren de prijzen voor wilde zalm zo laag dat de (zee)vissers op bijvoorbeeld Groenland er nog nauwelijks iets aan verdienden. De lage prijzen werden veroorzaakt door de opkomst van de gekweekte zalm, vooral in Noorwegen, sinds jaren de grootste zalmexporteur in Europa. Een dode wilde of gekweekte zalm bracht rond 1989 tien dollar per kilo op; sportvissers zoals Orri geven kapitalen uit aan hun hobby en zetten de vis na het vangen gewoonlijk in de rivier terug. Een wilde zalm die door een sportvisser in een rivier wordt gevangen is, in termen van geld uitgedrukt, ten minste twintigmaal meer waard dan een zalm die op zee wordt gevangen, zo wordt in het laatste jaarverslag van het Salmon Fund vastgesteld. Orri realiseerde zich dat het afkopen van de quota van zeevissers op Groenland en de Faerr de voortplanting van vele tienduizenden zalmen zou kunnen verzekeren. Dankzij zijn relaties in de wereld van de sportvisserij kreeg hij geld bijeen en twee jaar later boekte hij zijn eerste succes.

Na anderhalf jaar onderhandelen kocht het Salmon Fund in 1991 het zalm-quotum van de Faerr-vissers voor 700.000 dollar per jaar gedurende drie jaar. Het geld werd opgebracht door organisaties van sportvissers in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, de eigenaren van IJslandse zalmrivieren en enkele regeringen, zoals die van IJsland en Noorwegen. Het akkoord was vooral belangrijk omdat de Faerr-vissers vooral volwassen zalmen vingen die spoedig zouden terugkeren naar hun geboorterivieren, voornamelijk in Noorwegen, om zich daar voort te planten. Jonge zalm gaat niet zo ver op zee.

Het Salmon Fund publiceerde in zijn jaarverslag over 1996 een lijst van 2.000 namen van personen, clubs, ondernemingen en organisaties die zich hebben ingezet voor de instandhouding van de wilde Atlantische zalm. Daaronder zijn talrijke organisaties zoals zeven Franse sportvissersfederaties, maar vooral veel particulieren, merendeels uit het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, IJsland en Scandinavië. Onder hen zijn eenvoudige middenstanders, hertogen en bekendheden als de journalist Jeremy Paxman (BBC's Newsnight) en de golfer Jack Niklaus. De Engelse kroonprins Charles, Queen Mother Elisabeth, de Amerikaanse ex-president Jimmy Carter en ex-minister van Buitenlandse Zaken James Baker behoren tot de prominenten die behalve geld ook hun invloed aanwendden.

Via Amerikaanse relaties slaagde Orri erin een eind te maken aan piraatvisserij op zalm door vissers uit onder andere Polen en Denemarken die onder (goedkope) Panamese vlag voeren. De autoriteiten in Panama maakten daaraan een eind onder druk uit Washington, waar de zalmsportvissers een krachtige lobby vormen. In de Verenigde Staten zijn vele tientallen miljoenen dollars uitgegeven om zalmrivieren aan de oostkust schoon te maken. Het Amerikaanse Congres stortte in 1994 een half miljoen dollar in het Salmon Fund. Een belangrijke bijdrage komt ook van Canada, waar sportvissers per vergunning bijdragen aan het Salmon Fund.

De eerste deal van het Salmon Fund met zalmvissers op de Faerr werd in 1992 gevolgd met een overeenkomst met de enkele honderden vissers die aan de westkust van Groenland wonen. Het Salmon Fund betaalde 800.000 dollar voor de zalmquota in de jaren '93-'94. Het grootste deel van het geld kwam uit de Verenigde Staten. “Voor ongeveer anderhalf miljoen dollar was dus begin 1994 een eind gekomen aan de zalmvisserij buiten de 12 mijlszones in het noorden van de Atlantische Oceaan”, zegt Orri, de balans opmakend van zijn private enterprise-diplomatie. De akkoorden met de Faerr werden de daaropvolgende jaren verlengd en uitgebreid. Op een conferentie van de Atlantic Salmon Trust begin vorig jaar zei de Brit Ted Potter, hoofd van de sectie zalmvisserij van de ICES, dat bijna 400.000 volwassen zalmen in de periode '92-'95 naar hun thuiswaters in Europa en Noord-Amerika zijn teruggekeerd als gevolg van de quota-aankopen en andere acties van het Salmon Fund.

De zalmvissers op Groenland en de Faerr die hun quota aan het fonds verkochten, kregen daarnaast ook financiële hulp bij het opzetten van projecten om nieuwe activiteiten, zoals visserij op garnalen, schaaldieren en minder bekende soorten vis, op te zetten en andere inkomsten te genereren. Dergelijke Conservation Partnerschip Agreements waren tot nu toe vooral succesvol op de Faerr. In Groenland met zijn vele kleine, ver van elkaar gelegen gemeenschappen, lukte dat minder goed. Orri: “Een plaats op de markt veroveren is een kwestie van lange adem hebben. En die was er niet altijd.” Van het staken van de zalmvisserij door de Faerr heeft volgens Potter vooral Noorwegen geprofiteerd. Volgens zijn schattingen hebben tussen 1992 en 1995 120.000 wilde zalmen hun weg teruggevonden naar hun Noorse rivieren. “Een massieve bonus voor het Noorse toerisme en de sportvisserij”, zo wordt in het jaarverslag van het Salmon Fund vastgesteld.

Uitkoop door het Salmon Fund van zalmquota van de Groenlandse vissers lukte om allerlei politieke redenen niet in 1995 en 1996. Ook dit jaar liepen de onderhandelingen vast, maar daar komt nu bij dat de Groenlandse home rule-regering “eenzijdig onverantwoord grote zalmquota” heeft vastgesteld. Het gaat om een quotum van 50 ton voor de reguliere vissersvloot en een niet nader vastgesteld quotum voor de traditionele visserij voor eigen gebruik. In een verklaring die op 20 augustus werd gepubliceerd, wijst de “bitter teleurgestelde” Orri erop dat de zeeën rond Groenland voor het overleven van de zalm van groot belang zijn, en dat de wetenschappers van de ICES en het Greenland Nature Institute erop hebben aangedrongen de zalmvisserij te staken. De enige grote lokale visserij-onderneming, de Royal Greenland Company, heeft zich krachtig voor een quotum-akkoord met het Salmon Fund uitgesproken. Maar de Groenlandse regering is eenvoudig niet in staat de traditionele visserij te controleren, zoals de afgelopen twee jaar al was gebleken. Volgens ICES-schattingen werd in 1995 en 1996 telkens ongeveer 90 ton zalm gevangen langs de Groenlandse kusten. Ter vergelijking: voor de oprichting van de NASCO in 1984, toen er nog geen enkel conserveringsbeleid was, werd bij het westen van Groenland 2.500 ton zalm gevangen.

Orri vreest dat het voorbeeld van Groenland, “een slechte vriend in de wereld van natuurbehoud”, gevolgd zal worden door de Faerr. “In november wordt beslist over nieuwe zalm-quota voor de Faerr-vissers. Wij zijn bereid die te kopen. De afgelopen jaren hebben we daarvoor 600.000 dollar per jaar betaald. Maar als de Faerr ons aanbod afwijzen, zal ik de eerste zijn om ze te verdedigen. Want waarom zouden de vissers daar als enigen afzien van zalmvisserij als de belangrijkste Europese zalmnaties in gebreke blijven?”

Want dat is des Pudels Kern: de successen van Orri's Salmon Fund in het begin van de jaren negentig hebben niet geleid tot politieke doorbraken en nieuw beleid om de populatie wilde zalm in de Atlantische Oceaan te beschermen in die landen die veel meer dan Groenland of de Faerr gewicht in de schaal werpen. Terwijl de Faerr zeven jaar niet gevist hebben en daarmee “ten minste één levenscyclus van de zalm” hebben gered, heeft Noorwegen volgens Orri inmiddels de medewerking aan het Salmon Fund gestaakt.

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland, de twee andere belangrijke Europese zalmlanden, doen volgens hem “te weinig of niets” om de zalm te redden. De cijfers spreken boekdelen. In 1995 bedroeg de totale vangst van de wilde Atlantische zalm ruim 3.300 ton. Het leeuwendeel daarvan komt voor rekening van het Verenigd Koninkrijk (978 ton), Noorwegen (839 ton) en Ierland (790) ton. De zalmvisserij van Groenland en de Faerr (circa 90 ton in 1995) is in vergelijking daarmee van geringe betekenis.

Kroonprins Charles moge Orri Vigfusson dan een hoge onderscheiding voor zijn inspanningen als voorzitter van het Salmon Fund hebben toegekend, in Groot-Brittannië en Schotland wordt meer wilde zalm dan waar ook gevangen. Ondanks allerlei campagnes van Britse sportvissersorganisaties gaat de zalmvisserij in de kustwateren van het Verenigd Koninkrijk onverminderd door. De vissers uit dit gebied gebruiken daarbij, evenals hun collega's in Ierland, soms tientallen kilometers lange drijfnetten. Behalve 125 ton zalm (circa 50.000 vissen) werden daarmee ook vaak dolfijnen en andere beschermde dieren gevangen. In Schotland, Ierland en sommige delen van Engeland worden mondingen van zalmrivieren versperd met netten waarin de zalm die terugkeert naar zijn geboortewater, verstrikt raakt. Alle pogingen om deze praktijken te verminderen of af te schaffen zijn tot nu toe stuk gelopen op het verzet van de lokale vissers die zich beroepen op historische rechten.

In Ierland waar grote aantallen zalm illegaal worden gevangen - gesproken wordt van 200.000 vissen per jaar - is mede onder invloed van het Salmon Fund het roer omgegooid. Het nieuwe visserijbeleid van de regering is gebaseerd op toekenning van quota aan individuele vissers en beperking van de tijden dat gevist mag worden. De bestaande 'salmon management schemes' voor rivieren worden aangepast. Orri: “Dat is een grote stap vooruit. Een quotasysteem geeft overzicht. Dan kan ook gesproken worden over het afkopen van quota.”

De vorige Britse regering wilde de drijfnetvisserij op zalm in het noordoosten in dertig jaar 'uitfaseren'. Omdat de sportvisserij in de zalmrivieren 'very much a rich man's fun' is (het vangen van een wilde zalm in een Schotse rivier kost, alle uitgaven voor materiaal, huur, verblijf enz. inbegrepen, gemiddeld 6.000 gulden), hebben 'gewone vissers' weinig begrip voor argumenten waarom zij hun activiteiten zouden moeten verminderen, hoewel de vangsten van jaar tot jaar teruglopen. In 1996 werden volgens het Britse Environment Agency slechts 42.000 zalmen met hengels en riviernetten gevangen, een vermindering van 50 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. Orri vestigt zijn hoop op de nieuwe Labour-minister van Visserij, Jack Cunningham, zelf een sportvisser en uit Noordoost-Engeland afkomstig.

Ziekten bedreigen eveneens het voortbestaan van de zalm. Orri noemt een beruchte parasiet uit de Baltische Zee, en de zeeluis. De verspreiding van deze en andere ziekten onder de wilde zalm is vooral veroorzaakt door zalmen die zijn ontsnapt uit de viskwekerijen van Noorwegen. In dat land zijn talrijke zalmrivieren voor sportvissers gesloten wegens besmettingsgevaar. Dan is er nog het risico van genetische vermenging tussen wilde en ontsnapte gekweekte zalmen.

Maar de politiek blijft de grootste vijand van de wilde zalm. In het jaarverslag van het Salmon Fund wordt dat als volgt vastgesteld: “Om een hele reeks van redenen zijn regeringen en regulerende organisaties eenvoudig niet in staat genoeg te doen om de zalm te beschermen.” Orri: “In 1975 waren er volgens wetenschappers nog vier miljoen wilde zalmen in het noorden van de Atlantische Oceaan. Ik vrees dat hun aantal eind dit jaar tot 700.000 zal zijn afgenomen, inclusief een groot aantal ontsnapte gekweekte zalmen. De situatie moet waarschijnlijk nog veel erger worden voordat de politici in actie komen.”